<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:1515</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-10T07:57:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/3539 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1515">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1515</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T16:58:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:1515 Centrale Raad van Beroep , 30-04-2024 / 22/3539 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:1515:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor babyuitzet. Niet aannemelijk gemaakt dat de kosten zich voordoen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gevraagde kosten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 35 van de PW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:1515:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>3539 PW-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2022, 22/1332 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Datum uitspraak: 30 april 2024</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zitting heeft: E.J.M. Heijs</para>
        <para>Griffier: N. van der Horn </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2024. Voor appellant is mr. N. Talhoui, advocaat, verschenen, waarnemend voor mr. R. Moghni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Krabbenborg.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze zaak om de afwijzing van aanvragen van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een babypakket en babyuitzet (aanvragen). Het college heeft bij besluiten van 26 oktober 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 februari 2022 (bestreden besluit), de aanvragen afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is komen vast te staan dat de kosten zich hebben voorgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Degene die een aanvraag doet om bijzondere bijstand moet aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die bijstand. Dit is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_7c45c671-f2b7-44cd-8e4e-653ee03abadb" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft de aanvragen terecht afgewezen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) zich hebben voorgedaan. Daartoe is het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat appellant de aanvragen heeft ingediend ongeveer zeven maanden na de geboorte van zijn kind. In bezwaar heeft appellant gesteld dat hij de benodigde spullen voor zijn baby heeft geleend, maar de beschikking wil hebben over eigen goederen. Het college heeft daarop uitdrukkelijk aan appellant gevraagd welke spullen hij mist. Ook heeft het college verzocht om zijn kosten ten tijde van de aanvragen nader te concretiseren. Appellant heeft daarop niet meer gesteld dan dat alle babyspullen nog nodig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde kosten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, kan het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 51 van de PW en de beleidsregels van het college over de verkrijging van bijzondere bijstand bij de geboorte van een eerste kind hem niet baten. Uit die artikelen en beleidsregels volgt niet dat recht bestaat op bijzondere bijstand in de situatie dat de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten zich hebben voorgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW kan appellant evenmin baten, reeds omdat hij behoort tot de kring van rechthebbenden en niet is uitgesloten van verkrijging van bijstand. De aanvragen zijn afgewezen, omdat appellant niet aan de voorwaarden van artikel 35 van de PW voldoet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) N. van der Horn	(getekend) E.J.M. Heijs</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7c45c671-f2b7-44cd-8e4e-653ee03abadb" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3059.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>