<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2024:1194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T22:51:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/2399 ANW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:CRVB:2022:1793" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/tussenuitspraakBestuurlijkeLus" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg">Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2022:1793</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJB 2024/1574</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2024/228</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1194">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2024:1194</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-01T15:14:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2024:1194 Centrale Raad van Beroep , 10-06-2024 / 20/2399 ANW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2024:1194:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlaging ANW-uitkering. Uitspraak na prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). De uitkering van appellante is verlaagt omdat zij in Algerije woont. Het woonlandbeginsel is terecht toegepast.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2024:1194:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>20/2399 ANW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2020, 19/249 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te Algerije (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 10 juni 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">SAMENVATTING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over de vraag of de nabestaandenuitkering van appellante mocht worden verlaagd omdat zij in Algerije woont. De uitspraak is een vervolg op een prejudiciële vraag van 15 augustus 2022<footnote-ref linkend="_575e175c-c653-4221-b7fb-3be715268969" /> aan het HvJEU<footnote-ref linkend="_3273c552-e7c4-476d-9b44-9179c4cb217f" /> (verwijzingsbeslissing) en het arrest van het HvJEU van 29 februari 2024.<footnote-ref linkend="_17eb39ca-9598-4b24-af16-4dd1a4cdd276" /> De uitkomst is dat de verlaging van de uitkering niet in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Algerije.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord. De Svb en appellante hebben nadere stukken aan de Raad toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 22 juli 2021. Partijen zijn daarbij niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek heropend. De Svb heeft vragen van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2022. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg en mr. drs. M.M.W. van der Ent-Eltink.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld. Bij arrest van 29 februari 2024 heeft het HvJEU die vragen beantwoord. Partijen hebben niet op het arrest gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet verder op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitgebreide weergave van de toepasselijke regelgeving en standpunten van partijen wordt verwezen naar de verwijzingsbeslissing. Hier wordt volstaan met het volgende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Besluitvorming van de Svb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante woont in Algerije. Haar echtgenoot heeft in Nederland gewerkt en was ten tijde van zijn overlijden verzekerd voor de ANW<footnote-ref linkend="_179b3fb4-4b00-4561-8e2a-85729ed61c1e" />. Appellante had als nabestaande van haar verzekerde echtgenoot vanaf 1 januari 1999 recht op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. De Svb heeft die nabestaandenuitkering per 1 november 2012 beëindigd, omdat appellante niet meer aan de voorwaarden zou voldoen. Na een procedure over die beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2016, heeft de Svb met een besluit van 19 september 2018 met terugwerkende kracht de nabestaandenuitkering van appellante laten herleven met ingang van 1 november 2012.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een besluit van eveneens 19 september 2018 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de nabestaandenuitkering vanaf 1 januari 2013 wordt verlaagd, omdat vanaf die datum de uitkering wordt betaald volgens het kostenniveau van het land waar iemand woont (woonlandbeginsel).<footnote-ref linkend="_d976ce91-0aa2-417f-b6c8-9b5861fbeaf2" /> Voor Algerije is vastgesteld dat vanaf 1 januari 2013 60% en vanaf 1 januari 2016 40% van het maximale bedrag aan nabestaandenuitkering wordt uitbetaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 4 december 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verwijzingsbeslissing en arrest van het HvJEU</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De nabestaandenuitkering van appellante is vanaf 1 januari 2013 verlaagd omdat vanaf die datum het woonlandbeginsel is toegepast.<footnote-ref linkend="_fe1938ee-4483-463a-a1bb-fd004b97cdb9" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet de verlaging van een uitkering op grond van het woonlandbeginsel worden gezien als een beperking van de export van die uitkering. De Raad heeft aan het HvJEU de vraag gesteld of artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst met Algerije<footnote-ref linkend="_fb8bd848-3adc-49ba-94a3-ba43e74f8424" /> (Associatieovereenkomst) in de weg staat aan die beperking van de export van de nabestaandenuitkering van appellante. De Raad heeft met betrekking tot deze bepaling drie deelvragen aan het HvJEU voorgelegd. De vragen staan in de verwijzingsbeslissing.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het HvJEU heeft hierop geantwoord dat artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft. Verder blijkt uit het antwoord van het HvJEU dat appellante onder de personele werkingssfeer van die bepaling valt en dat die bepaling in beginsel niet in de weg staat aan de toepassing van het woonlandbeginsel, mits de toegepaste verlaging op de uitkering de essentie van het recht op vrij overmaken van de uitkering eerbiedigt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Volgens het HvJEU kan de aanpassing van het bedrag van de uitkering – om rekening te houden met het kostenniveau in Algerije – niet leiden tot een uitholling van het recht op vrije overmaking als bedoeld in artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst, mits het percentage dat voor deze aanpassing wordt gebruikt berust op objectieve gegevens. De verwijzende rechter (in dit geval de Raad) moet dit nagaan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gevolgen voor deze zaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit het arrest moet worden afgeleid dat de nabestaandenuitkering van appellante vanaf 1 januari 2013 mocht worden verlaagd rekening houdend met het kostenniveau in Algerije. De verlaging is gebaseerd op een bij ministeriële regeling<footnote-ref linkend="_c42ba808-c12a-441b-976c-e91b833bde5a" /> vastgesteld percentage (woonlandfactor) van het in Nederland geldende bedrag aan nabestaandenuitkering.<footnote-ref linkend="_3a593b7c-6fbf-4dcc-9d85-bb201c4c096c" /> Voor Algerije is dit percentage voor 2013 vastgesteld op 60 en vanaf 2016 op 40. Deze percentages zijn gebaseerd op door de Wereldbank berekende koopkrachtpariteitscijfers. De Raad heeft in eerdere rechtspraak<footnote-ref linkend="_8291cb3c-f4b4-47d0-9943-560f7bf73d17" /> geoordeeld dat dit objectieve gegevens zijn die mogen worden gebruikt bij de vaststelling van de woonlandfactoren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat op de nabestaandenuitkering van appellante terecht een verlaging is toegepast omdat zij in Algerije woont.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor proceskosten en het betaalde griffierecht.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) P. Boer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DÉCISION</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Statue:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>confirme la décision attaquée.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Par conséquent, décidée par M.A.H. van Dalen-van Bekkum en qualité de président, A. van Gijzen et K.H. Sanders comme membres, en présence de S.S. Blok en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 10 juin 2024.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_575e175c-c653-4221-b7fb-3be715268969" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2022:1793.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3273c552-e7c4-476d-9b44-9179c4cb217f" label="2">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17eb39ca-9598-4b24-af16-4dd1a4cdd276" label="3">
    <para> Zaaknummer C-549/22, ECLI:EU:C:2024:184.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_179b3fb4-4b00-4561-8e2a-85729ed61c1e" label="4">
    <para> Algemene nabestaandenwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d976ce91-0aa2-417f-b6c8-9b5861fbeaf2" label="5">
    <para> Op grond van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe1938ee-4483-463a-a1bb-fd004b97cdb9" label="6">
    <para> Artikel 17, derde lid, van de ANW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb8bd848-3adc-49ba-94a3-ba43e74f8424" label="7">
    <para> Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Democratische Volksrepubliek Algerije, anderzijds, Pb L 265 van 10/10/2005, blz. 0002-0228.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c42ba808-c12a-441b-976c-e91b833bde5a" label="8">
    <para> Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage (Stcrt. 2012, 21314 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-21314.pdf) en 2015, 17551 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2015-17551.pdf)).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a593b7c-6fbf-4dcc-9d85-bb201c4c096c" label="9">
    <para> Zijnde 70% van het minimumloon.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8291cb3c-f4b4-47d0-9943-560f7bf73d17" label="10">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2023:19 en ECLI:NL:CRVB:2017:4501.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>