<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-02T10:41:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21 / 4032 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:758">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:758</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-26T11:07:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:758 Centrale Raad van Beroep , 18-04-2023 / 21 / 4032 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:758:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering van bijstand. Hoofverblijf. Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode sprake was van een extreem laag waterverbruik. Ook niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode feitelijk niet op het uitkeringsadres verbleef. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij toch op het uitkeringsadres haar hoofdverblijf had.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:758:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>21/4032 PW</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2021, 20/6103 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 18 april 2023</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">PROCESVERLOOP</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellante heeft mr. A. Coskun, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Raad heeft partijen bij brief van 2 maart 2023 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en ook dat de Raad een zitting niet nodig vindt. De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard dat zij gebruik willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak beoordeelt de Raad een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand. Het college heeft dat besluit genomen omdat appellante niet had gemeld dat zij haar hoofdverblijf niet had op het door haar opgegeven adres (uitkeringsadres). </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante ontving sinds 3 mei 2018 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Zij staat sinds 28 maart 2018 ingeschreven op adres X (uitkeringsadres).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft een casemanager Handhaving van de afdeling Handhaving van het Domein Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Zaanstad onder meer verbruiksgegevens opgevraagd van het uitkeringsadres en met appellante gesproken. Uit een van het waterleidingbedrijf verkregen overzicht blijkt dat in de periode 29 maart 2018 tot en met 10 april 2019 in totaal 6 m3 water is verbruikt op het uitkeringsadres.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om met een besluit van 5 juni 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 oktober 2020 (bestreden besluit), de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 3 mei 2018 tot en met 10 april 2019 (te beoordelen periode). Ook heeft het college de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.198,39 van appellante teruggevorderd. Het college heeft dat gedaan omdat appellante in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had in de woning op het uitkeringsadres en dit niet bij het college heeft gemeld. Appellante heeft daarmee de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het college het recht op bijstand niet vaststellen. </para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.</para>
      <para />
      <para>3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit tot intrekking en terugvordering in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – is extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat dus de betrokkene niet zijn/haar hoofdverblijf heeft op het betreffende adres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Dit is vaste rechtspraak.<footnote-ref linkend="_60ab975c-d71b-4196-9071-6407bef44e7e" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode sprake was van een extreem laag waterverbruik. Ook niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode feitelijk niet op het uitkeringsadres verbleef. Het is dus aan appellante om aannemelijk te maken dat zij op het uitkeringsadres haar hoofdverblijf had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Appellante stelt dat zij in de te beoordelen periode bezig was met een noodzakelijke verbouwing in de woning op het uitkeringsadres en dat zij om die reden tijdelijk bij haar ouders in Amsterdam verbleef. Appellante voert onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad<footnote-ref linkend="_2c24a8ef-0209-49b5-9560-6fe05f168442" /> aan dat vanwege dat tijdelijk verblijf bij haar ouders geen sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Deze grond slaagt niet. Dat is alleen al het geval omdat uit de stukken niet blijkt dat appellante de woning op het uitkeringsadres aan het verbouwen was en dat zij tijdelijk bij haar ouders verbleef. Ook nadat de Raad haar daarop in de regiebrief heeft gewezen, heeft zij haar stelling niet onderbouwd. De grond behoeft daarom geen verdere bespreking.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>5. Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de intrekking en de terugvordering in stand blijven. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>6. Appellante krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) P.W. van Straalen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M. Ramanand </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_60ab975c-d71b-4196-9071-6407bef44e7e" label="1">
    <para> Uitspraak van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1986.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c24a8ef-0209-49b5-9560-6fe05f168442" label="2">
    <para> Uitspraken van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2320 en van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:584.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>