<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-21T09:13:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22 / 1875 ANW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:733">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:733</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-21T09:12:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:733 Centrale Raad van Beroep , 20-04-2023 / 22 / 1875 ANW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:733:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toekenning Anw-uitkering met terugwerkende kracht. Ggen sprake van een bijzonder geval dat maakt dat met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar een uitkering moet worden toegekend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:733:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>1875 ANW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 20 april 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2022, 21/2676 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats 1] ( Marokko ) (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2023. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante is geboren in 1976 en in 1993 gehuwd. De echtgenoot van appellante, geboren in 1952, is op [datum overlijden] overleden. Op 5 juli 2016 heeft appellante een aanvraag gedaan voor toekenning van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Besluitvorming Svb</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met een besluit van 17 mei 2018 is aan appellante met ingang van juli 2015 een Anwuitkering toegekend, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid meer dan 45% was. De uitkering bedraagt € 1195,30 netto per maand en zij heeft recht op een nabetaling van € 33.101,95. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de uitkering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit van 19 maart 2021 is het bezwaar tegen het besluit van 17 mei 2018 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen sprake van een bijzonder geval dat maakt dat met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar een uitkering moet worden toegekend. Appellante was wel op de hoogte van het bestaan van een Anw-uitkering maar had een onjuiste opvatting over het recht daarop. Appellante is veertien jaar getrouwd geweest en haar echtgenoot heeft al die tijd in Nederland gewoond. Zij had informatie kunnen (laten) inwinnen over het recht op een Anw-uitkering. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat heeft de rechtbank geoordeeld?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Er is geen sprake is van een bijzonder geval, omdat niet is gebleken dat appellante haar eigen belangen niet kon behartigen. Ook was appellante van het bestaan van een Anw-uitkering op de hoogte maar dacht zij ten onrechte dat zij daar geen recht op had. Onder verwijzing naar rechtspraak van deze Raad<footnote-ref linkend="_2bbb6c67-c318-4cbd-a967-54ba836a9847" /> heeft de rechtbank geoordeeld dat onbekendheid met wet- en regelgeving geen reden om een bijzonder geval aan te nemen. Het is de eigen verantwoordelijkheid van appellante om ervoor te zorgen dat zij op de hoogte is van haar mogelijke aanspraak op een Anw-uitkering. Dat appellante niet naar school is geweest of weinig contact heeft met anderen doet daar niet aan af. Zij is ook in staat gebleken om met behulp van een derde een aanvraag in te dienen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt in hoger beroep</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij een nabestaandenuitkering wil hebben vanaf de datum van het overlijden van haar man. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het oordeel van de Raad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In geschil is of de Svb terecht heeft besloten om eerst met ingang van1 juli 2015 een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De Svb heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 33, vierde lid, van de Anw. Op grond van dit artikellid kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over tijdvakken gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop de Svb de aanvraag heeft ontvangen. In de tweede volzin van dit artikellid is verder bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. Daarbij beoordeelt de Svb eerst of sprake is van een bijzonder geval. Alleen als dit het geval is, is de Svb bevoegd de uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan een jaar toe te kennen. Er is volgens het beleid van de Svb sprake van een bijzonder geval indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen of indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op uitkering en deze onbekendheid verschoonbaar was. Dit beleid is in de jurisprudentie in algemene zin aanvaard.<footnote-ref linkend="_0bc9e629-21b8-41da-a99b-1f961de55eea" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak voldoende besproken en gemotiveerd waarom in het geval van appellante geen sprake is van een bijzonder geval. De Raad ziet geen aanleiding hierover anders te oordelen en onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel baseert. Nu geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 33, vierde lid, van de Anw komt de Svb niet de bevoegdheid toe aan de toekenning van de uitkering verdere terugwerkende kracht dan één jaar te geven<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Dit betekent dat appellante geen gelijk krijgt en het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.E.V. Lenos</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.J. van der Veldt </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DÉCISION</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) confirme la décision attaquée.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Par consequent, décidée par E.E.V. Lenos en présence de E.J. van der Veldt en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 20 Avril 2023.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2bbb6c67-c318-4cbd-a967-54ba836a9847" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2012:BX9897.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bc9e629-21b8-41da-a99b-1f961de55eea" label="2">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2021:2536.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>