<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-04T11:14:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21 / 4161 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:591">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-04-04T11:11:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:591 Centrale Raad van Beroep , 30-03-2023 / 21 / 4161 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:591:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verrekening van kindgebonden budget. De CRvB is onbevoegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:591:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>21/4161 AKW</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 oktober 2021, 20/2917 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats 1] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 30 maart 2023 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">PROCESVERLOOP</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellant heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Svb heeft in antwoord op vragen van de Raad een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Hierop heeft appellant gereageerd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2022, tegelijk met het onderzoek in de zaak met nummer 20/1749 AKW. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Tajjiou. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas en mr. M.F. Sturmans. In de zaak 20/1749 wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb vordert te veel uitbetaald kindgebonden budget terug door middel van verrekening met nog na te betalen kindgebonden budget. De Raad concludeert dat hij niet bevoegd is te beslissen op het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding en besluiten van de Svb</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontvangt kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en kindgebonden budget op grond van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) (samen: gezinsbijslag) voor zijn kinderen [naam 1] en [naam 2] , die in Marokko wonen. De Svb betaalt de gezinsbijslag uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 27 maart 2020 heeft de Svb appellant laten weten dat de hoogte van het kindgebonden budget is gewijzigd, waardoor appellant over het jaar 2015 nog € 2.325,54 aan kindgebonden budget krijgt en € 350,- aan rente. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 27 maart 2020 heeft de Svb meegedeeld dat het door appellant terug te ontvangen bedrag van € 2.325,54 zal worden verrekend met de openstaande vordering aan kindgebonden budget van € 9.928,71. Na verrekening resteert een openstaand bedrag van </para>
        <para>€ 6.094,65.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 30 maart 2020 heeft de Svb meegedeeld dat appellant op dat moment geen aflossingscapaciteit heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij besluit van 9 september 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 maart 2020 en 30 maart 2020 ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Uitspraak van de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten in hoger beroep </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. In hoger beroep hebben partijen de volgende standpunten ingenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat de Svb er ten onrechte van is uitgegaan dat de schuld aan de Belastingdienst/Toeslagen vanwege te veel ontvangen kindgebonden budget in rechte vaststaat. Volgens appellant is de Svb niet bevoegd om tot terugvordering van kindgebonden budget en verrekening van de schuld over te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De Svb heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht. Ter zitting heeft de Svb verduidelijkt dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering van het kindgebonden budget bij de Belastingdienst/Toeslagen ligt. De besluitvorming van de Svb ziet op de invordering door middel van verrekening van na te betalen kindgebonden budget met een openstaande schuld aan kindgebonden budget. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De Raad oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De Raad onbevoegd</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of hij bevoegd is te beslissen op het hoger beroep. Voor zover nog relevant ligt voor een besluit tot verrekening van te veel betaald kindgebonden budget dat is verstrekt op grond van de Wkb, door middel van verrekening met nog na te betalen kindgebonden budget. Verrekening van kindgebonden budget met kindgebonden budget is geregeld in artikel 30, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <para>Ingevolge artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge (…) de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.2.</nr>
        <para>Op grond van artikel 9 of artikel 10 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit, genomen op grond van een in die artikelen genoemd voorschrift of anderszins in die artikelen omschreven, hoger beroep worden ingesteld bij de Raad.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3.</nr>
        <para>De Awir wordt niet in artikel 9 of artikel 10 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak vermeld. Het bestreden besluit is dus niet genomen op grond van een in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak vermeld wettelijk voorschrift. Dit betekent dat de Centrale Raad van Beroep niet bevoegd is kennis te nemen van het door appellant ingediende hoger beroep voor zover het gaat om de besluitvorming over de verrekening. </para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Conclusie en gevolgen</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De Raad zal zich onbevoegd verklaren om te oordelen over het hoger beroep. Het hogerberoepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling worden doorgezonden aan de Afdeling. Met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb zal worden bepaald dat de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 134,- aan appellant terugbetaalt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>