<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-08T10:26:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/179 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:397">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-03-03T10:01:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:397 Centrale Raad van Beroep , 14-02-2023 / 22/179 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:397:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag om bijstand afgewezen. Gezamenlijke huishouding. De aanvraag om bijstand voor een alleenstaande is terecht afgewezen op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met X. Er is voldaan aan het vereiste van wederzijdse zorg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:397:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 december 2021, 21/733 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 14 februari 2023</para>
    <para>Zitting heeft: M. Hillen</para>
    <para>Griffier: E.A.J. Westra </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter zitting is appellant niet verschenen. </para>
    <para>Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Slegers.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>BESLISSING</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. Appellant stond sinds 19 juli 2018 ingeschreven op een adres in [woonplaats] . Daar stond sinds 20 december 2012 ook X ingeschreven. </para>
  <para />
  <para>2. Op 25 augustus 2020 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet. Bij besluit van 13 oktober 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. De reden hiervoor is dat appellant met X een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
  <para />
  <para>3. Niet in geschil is dat appellant en X in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Daarmee is aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding voldaan. </para>
  <para />
  <para>4. De gedingstukken bieden ook voldoende grondslag voor het standpunt van het college dat in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen appellant en X. Hierbij is het volgende van belang. </para>
  <para />
  <para>5. Uit het overgelegde huurcontract blijkt niet welk deel van de woning appellant huurde. Hij heeft aangevoerd dat het om de zolderkamer ging, maar heeft tegelijkertijd gezegd dat hij het hele huis mocht gebruiken. De inboedel op de zolder was van X. Tijdens het huisbezoek is gebleken dat de zolder een open ruimte was waar zich een bed bevond en waar kleding van X aan de waslijn hing. In de kasten lag dameskleding. Appellant heeft verklaard dat hij € 350,- per maand aan huur moest betalen, maar niet is gebleken dat hij daadwerkelijk huur heeft betaald. Verder zou X hebben ingestemd met een huurverlaging naar € 150,- per maand, nadat appellant onder bewind was komen te staan. Dit is echter nergens aantoonbaar vastgelegd. Dat appellant de verlaagde huur daadwerkelijk heeft betaald is evenmin gebleken. Het betoog van appellant dat de verlaging van de huur niet duidt op financiële verstrengeling, omdat hij onder bewind stond en de bewindvoerder de verlaging had geregeld en betaald, slaagt niet. Nog los van het feit dat dit laatste uit de gedingstukken niet blijkt, duidt verlaging van de huur er juist op dat de huur niet commercieel en verplichtend was. </para>
  <para />
  <para>6. Verder staat vast dat appellant gebruik mocht maken van de auto van X en dat X zelf geen rijbewijs had. Appellant pinde regelmatig bij tankstations. Ook heeft hij regelmatig gepind in de Poolse supermarkt. X maakte boodschappengeld over en appellant bracht X ook wel eens met de auto naar de supermarkt. Hij mocht gebruik maken van de boodschappen van X en andersom. In de koelkast lagen de etenswaren van appellant en X door elkaar. Verder is appellant met de auto van X naar Polen geweest, waar hij bij de zus van X heeft overnacht. De woning werd om de beurt door X en appellant schoongemaakt.  </para>
  <para />
  <para>7. Appellant heeft tot slot gewezen op zijn lage IQ en aangevoerd dat de beoordeling van de wederzijdse zorg daarop had moeten worden afgestemd. Deze beroepsgrond slaagt niet. De vraag of in een bepaald geval sprake is van wederzijdse zorg dient beantwoord te worden aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang. Voor zover appellant hiermee heeft bedoeld te zeggen dat de zorg die hij aan X verleende vanwege zijn lage IQ van minder gewicht was of anders van intensiteit, blijkt dit niet uit de stukken, nu appellant heel gebruikelijke zorg bood, zoals boodschappen doen, schoonmaken en autorijden. </para>
  <para />
  <para>8. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding bestaat. </para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>De griffier							Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd te ondertekenen.</emphasis>			(getekend) M. Hillen</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke </para>
    <para>huishouding.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>