<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:1608</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-25T15:12:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/890 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1608">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1608</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-22T11:22:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:1608 Centrale Raad van Beroep , 21-08-2023 / 22/890 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:1608:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant na afloop van de termijn beroep heeft ingesteld en dit appellant te verwijten valt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:1608:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>890 PW</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van </para>
      <para>10 maart 2022, 20/6484 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 21 augustus 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 10 juli 2023. Partijen zijn niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Samenvatting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de Raad of de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 26 maart 2020 (bestreden besluit) terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een besluit van 24 oktober 2019 heeft het college appellant een tijdelijke ontheffing van de sollicitatie- en arbeidsplicht verleend. Het college is met het bestreden besluit, genomen naar aanleiding van het bezwaar van appellant, bij de tijdelijke ontheffing gebleven.</para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant na afloop van de termijn beroep heeft ingesteld en dit appellant te verwijten valt. </para>
      <para />
      <para>3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de Raad</emphasis>
      </para>
      <para>4. De Raad beoordeelt of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht </para>
      <para>niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De wettelijke regels die voor de beoordeling van dit hoger beroep van belang zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Die maakt deel uit van deze uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellant heeft niet betwist dat het bestreden besluit op 26 maart 2020 aan hem is verzonden en dat hij buiten de termijn, op 23 november 2020, beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kon verklaren, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Appellant voert in de kern aan dat er sprake is van naam- en identiteitsfraude. In zijn hoger beroepschrift gaat appellant echter niet in op de reden waarom hij het beroep te laat heeft ingediend. Appellant heeft dus geen reden gegeven waarom hij pas op 23 november 2020 beroep heeft ingesteld. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de te late indiening niet verwijtbaar zou zijn. De Raad is daarom van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Appellant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij komt ook niet in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) J.T.H. Zimmerman</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) N. van der Horn</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb):</para>
      <para>De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb:</para>
      <para>De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:9 van de Awb:</para>
      <para>1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. <?linebreak?>2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6:11 van de Awb:</para>
      <para>Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>