<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:1457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-01T12:12:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22 / 3408 AKW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1457">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-08-01T08:49:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:1457 Centrale Raad van Beroep , 21-07-2023 / 22 / 3408 AKW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:1457:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Raad oordeelt dat de Svb appellante terecht over het derde kwartaal van 2019 en het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag op grond van de AKW1 heeft toegekend. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat appellante op de peildata van die kwartalen nog geen ingezetene was.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:1457:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>22/3408 AKW</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 21 juli 2023 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 oktober 2022 , 21/4764 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Met een besluit van 17 oktober 2019 heeft de Svb over het derde en vierde kwartaal van 2019 kinderbijslag geweigerd. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt maar de Svb is met een besluit van 5 juli 2021 (bestreden besluit) bij de weigering gebleven. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.<?linebreak?></para>
    <para>Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2023. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Diamant.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>OVERWEGINGEN</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak oordeelt de Raad dat de Svb appellante terecht over het derde kwartaal van 2019 en het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag op grond van de AKW<footnote-ref linkend="_3eb496f5-4e74-4f5d-a5b8-377180bba132" /> heeft toegekend. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat appellante op de peildata van die kwartalen nog geen ingezetene was. Appellante had toen nog geen duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte, geen werk en geen wezenlijke en objectiveerbare bindingen met anderen dan haar familie in Nederland. Ook was zij nog maar relatief kort hier en is haar partner pas in december 2019 naar Nederland gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit. Begin 2012 is appellante uit Nederland vertrokken om in Egypte te gaan wonen. Op [geboortedag 1] 2016 is daar haar zoon [A.] geboren en op [geboortedag 2] 2017 dochter [B]. Appellante is op 23 januari 2019 met haar kinderen teruggekomen naar Nederland. Haar partner en vader van de kinderen is in Egypte gebleven. Op 28 januari 2019 hebben appellante en de kinderen zich ingeschreven in de BRP.<footnote-ref linkend="_a87552c3-b681-4a84-9143-04d71517b81a" /> Zij zijn inwonend geworden bij de ouders van appellante. Op [geboortedag 3] 2019 is zoon [C.] geboren. Appellante heeft sinds februari 2019 een uitkering op grond van de Participatiewet. Op 3 december 2019 is de partner van appellante naar Nederland gekomen en op 17 januari 2020 heeft hij zich in de BRP ingeschreven. Op [geboortedag 4] 2020 is zoon [D.] geboren. Appellante heeft familie zowel in Nederland als in Egypte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In september 2019 heeft appellante kinderbijslag aangevraagd bij de Svb. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 17 oktober 2019, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft de Svb de aanvraag over het derde en vier kwartaal van 2019 afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellante op de peildata van kwartalen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitspraak van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft van belang geacht dat appellante op de peildata 1 juli 2019 en 1 oktober 2019 met haar kinderen bij haar ouders inwoonde en nog geen duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte had. Verder had appellante geen werk, geen wezenlijke en objectiveerbare bindingen met anderen dan haar familie in Nederland en was zij nog maar relatief kort hier. Ook is van belang geacht dat haar partner pas in december 2019 naar Nederland is gekomen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het standpunt van appellante </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Appellante heeft aangevoerd dat zij naar Nederland is gekomen met de intentie om te blijven. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft hier haar jeugd doorgebracht. Appellante is met haar kinderen hierheen gekomen en is direct aan de slag gegaan om haar man te laten overkomen. Vanwege gebrek aan woonruimte is zij bij haar ouders ingetrokken en heeft zij zich tegelijkertijd als woningzoekende ingeschreven. Ook zijn er twee kinderen in Nederland geboren.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van de Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In geschil is of appellante recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal en vierde van 2019. Van belang daarbij is of appellante op de peildata van die kwartalen ingezetene van Nederland was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland.<footnote-ref linkend="_9a367340-057d-4c04-b8e0-94f067f43929" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De Raad heeft in eerder<footnote-ref linkend="_5638b725-3591-48c3-9e94-d816da86793c" /> geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Verder heeft de Raad vaker<footnote-ref linkend="_d2e3e379-d093-4ea8-9cba-6ec8c50ba549" /> geoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Toen appellante Nederland in begin 2012 verliet, was zij ingezetene van Nederland. Na haar als definitief bedoelde vertrek uit Nederland in 2012 zijn de eerder ontstane banden van persoonlijke aard van appellante met Nederland op enig moment verbroken. Toen appellante begin 2019 naar Nederland terugkeerde, herleefde haar ingezetenschap niet onmiddellijk. Appellante kon na haar terugkeer pas als ingezetene van Nederland worden beschouwd op het moment dat zij weer een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland had opgebouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellante op 1 juli 2019 en 1 oktober 2019 nog geen ingezetene van Nederland was. Appellante had toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank waarin alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang zijn beschouwd. Appellante heeft in hoger beroep hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. De Raad is het met de uitspraak van de rechtbank eens en neemt de overwegingen daarvan over.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent appellante over het derde en vierde kwartaal van 2019 geen recht op kinderbijslag heeft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>BESLISSING</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) E.E.V. Lenos</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3eb496f5-4e74-4f5d-a5b8-377180bba132" label="1">
    <para> Algemene Kinderbijslagwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a87552c3-b681-4a84-9143-04d71517b81a" label="2">
    <para> Basisregistratie personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a367340-057d-4c04-b8e0-94f067f43929" label="3">
    <para>Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5638b725-3591-48c3-9e94-d816da86793c" label="4">
    <para> In een uitspraak van onder meer 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2e3e379-d093-4ea8-9cba-6ec8c50ba549" label="5">
    <para>In onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>