<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:1361</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-17T16:20:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20 / 3937 WMO15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1361">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1361</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-17T16:19:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:1361 Centrale Raad van Beroep , 11-07-2023 / 20 / 3937 WMO15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:1361:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen doorbreking appelverbod.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:1361:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">20 3937 WMO15</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 11 juli 2023</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2020, 19/6413 V (aangevallen uitspraak) en op het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van schade</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellant is gereageerd. Appellant heeft nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2023. Namens appellant is [gemachtigde] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. B.G. Diepeveen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij de beoordeling zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 28 augustus 2019 heeft het college het verzoek van appellant om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten afgewezen, omdat volgens het college geen sprake is van kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met een bezwaar tegen een besluit, dat door een aan het college te wijten onrechtmatigheid is herroepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellant heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 28 mei 2020 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Appellant heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van 28 mei 2020. Op 2 augustus 2020 heeft appellant de verzetgronden met bijlagen ingezonden. Gemachtigde van appellant is verschenen ter zitting van de rechtbank. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant de Raad verzocht het appelverbod te doorbreken, – samengevat – omdat naar zijn mening een essentiële regel van het bestuursprocesrecht is geschonden. Het college had volgens appellant een incompleet dossier aangeleverd bij de rechtbank, wat in strijd is met artikel 8:42 van de Awb en het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (niet-KEI-zaken) 2017. In verzet heeft appellant de ontbrekende stukken aan het dossier toegevoegd, omdat die mede van belang waren voor de beoordeling door de rechtbank. Ook met het oog op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb hadden deze stukken in het beroep betrokken moeten worden. De rechtbank heeft hierover ten onrechte niet geoordeeld in de aangevallen uitspraak. Appellant heeft verwezen naar een uitspraak van de Raad van 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6634. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college in de bezwaarprocedure in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb heeft gehandeld door geen vertegenwoordiger van het bestuursorgaan uit te nodigen. Hierdoor zijn fundamentele rechten van appellant geschonden, waardoor sprake is van een oneerlijk proces. De rechtbank had niet mogen concluderen dat sprake was van een kennelijk ongegrond beroep. Van de vereiste kennelijkheid was geen sprake. Appellant heeft gemotiveerd uiteengezet dat wél is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, en dat het college daarom in bezwaar gemaakte kosten had moeten vergoeden.</para>
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, aanhef en onder b, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich een zodanig ernstige schending van de eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen heeft voorgedaan, dat van een eerlijke en onafhankelijke behandeling niet meer kan worden gesproken (zie de uitspraak van de Raad van 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:946). Die situatie doet zich hier niet voor. Er is geen reden om het appelverbod te doorbreken. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellant heeft zijn standpunt over ontbrekende stukken en wat de rechtbank daarmee had moeten doen schriftelijk uiteen kunnen zetten en is gehoord in verzet tegen de uitspraak van 28 mei 2020. Hiermee is hij voldoende in zijn rechten beschermd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voor het oordeel dat de rechtbank deze stukken onder meer met het oog op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken bestaat geen grond. De situatie die zich voordeed in de door appellant genoemde uitspraak van 10 januari 2007 is hier ook niet aan de orde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Appellant heeft pas in hoger beroep, en niet al bij de rechtbank, aangevoerd dat tijdens de hoorzitting in bezwaar ten onrechte geen vertegenwoordiger van het college aanwezig was. De rechtbank hoefde niet ambtshalve te onderzoeken of artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb door het college is geschonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat appellant het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is ook geen reden om</para>
        <para>het wettelijk appelverbod te doorbreken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1748).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de Raad onbevoegd is. Dit geldt ook voor het verzoek om het college te veroordelen tot schadevergoeding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) D. Hardonk-Prins</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) L.C. van Bentum</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>