<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2023:1157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-26T11:13:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-06-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22 / 2917 WAD</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1157">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1157</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-26T11:05:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2023:1157 Centrale Raad van Beroep , 15-06-2023 / 22 / 2917 WAD</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2023:1157:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag wegen wangedrag. Bevoegdheidsgebrek. Proceskostenveroordeling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2023:1157:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>22/2917 WAD					</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 15 juni 2023</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2022, 21/8228 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Defensie (de Kroon)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">PROCESVERLOOP</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Met een besluit van 6 januari 2020 heeft de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris) appellant ontslagen wegens wangedrag. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt maar de Minister van Defensie (minister) is met een besluit van 11 november 2021 (bestreden besluit) bij het ontslag gebleven. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellant heeft mr. V.N. van Waterschoot, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens de Kroon heeft mr. J.W. Walet een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De zaak is behandeld op 4 mei 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Waterschoot. De Kroon heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Walet en mr. M.F. Janssen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Samenvatting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is ontslagen wegens wangedrag. Appellant wordt verweten dat hij dienstvoertuigen heeft gebruikt voor privédoeleinden, ongeoorloofd afwezig is geweest en oneigenlijke declaraties heeft ingediend. De Raad oordeelt dat het ontslag in stand kan blijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant was [naam functie] bij de Koninklijke Landmacht. Hij vervulde een functie bij [naam onderdeel] ( [onderdeel] ) in [vestigingsplaats 1] . Daarnaast vervulde appellant een functie bij het [naam commando] ( [commando] ) in [vestigingsplaats 2] , waar hij van maandag tot en met donderdag werkte op basis van een Individuele Inzet Reservisten (IIR)-contract. Voor deze werkzaamheden mocht hij gebruikmaken van dienstvoertuigen (PNOD). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Na informatie te hebben ontvangen dat appellant mogelijk onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van dienstvoertuigen en onjuiste declaraties heeft ingediend is appellant tot tweemaal opgeroepen (middels dienstopdrachten) om te verschijnen voor een hoorzitting. Appellant heeft (beide keren) geweigerd te verschijnen. Wel heeft hij de met de oproepingen meegestuurde  niet-limitatieve vragenlijst ingevuld en geretourneerd.      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Nadat appellant zijn zienswijze  heeft gegeven op het voornemen van 21 mei 2019, heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) hem met ingang van 1 februari 2020 ontslag verleend wegens wangedrag. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij koninklijk besluit van 24 januari 2020 heeft de Kroon appellant met ingang van 1 februari 2020 ontslag verleend.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Uitspraak van de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Vastgesteld is dat door appellant niet wordt betwist dat hij met een dienstvoertuig meerdere malen, na afloop van of tijdens diensttijden, een coach heeft bezocht en daarvoor geen toestemming had. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bezoeken van deze coach een privéaangelegenheid is. Het zonder toestemming gebruiken van dienstvoertuigen voor privédoeleinden is voldoende om te komen tot de conclusie dat er sprake is van wangedrag. Verder heeft de rechtbank overwogen dat een dienstopdracht moet worden opgevolgd. Dit geldt dus ook voor een dienstopdracht om te verschijnen op een hoorzitting. Dat appellant ontevreden was over zijn werkomgeving is volgens de rechtbank onvoldoende rechtvaardiging om de gegeven dienstopdrachten niet op te volgen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de ongeoorloofde afwezigheid bij de hoorzittingen als wangedrag is aan te merken. Wat betreft de declaratie van de uren die appellant op 15 mei en 16 mei 2018 heeft ingediend alsof hij die modules heeft gevolgd op vrijdag 29 juni 2018, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat door een leidinggevende goedkeuring is verleend om in strijd met de waarheid uren te declareren. De rechtbank is verder van oordeel dat er sprake is van toerekenbaar wangedrag en dat het ontslag wegens wangedrag niet onevenredig is te achten aan de gedragingen van appellant. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Het oordeel van Raad</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Er is sprake van een bevoegdheidsgebrek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Artikel 38, eerste lid, van het AMAR bepaalt dat het verlenen van ontslag aan de militair met een officiersrang geschiedt bij koninklijk besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister dat besluit heeft genomen namens de Kroon. De brief van 29 oktober 2021, waarin is meegedeeld dat Zijne Majesteit de Koning de minister machtiging heeft verleend te beslissen op het bezwaarschrift van appellant, maakt dat niet anders, omdat de verleende machtiging niet kenbaar is in het bestreden besluit. Nu aannemelijk is dat appellant door dit gebrek niet is benadeeld zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. Wel heeft de rechtbank ten onrechte de minister als procespartij aangemerkt. De minister had het bestreden besluit behoren te nemen namens de Kroon, waardoor de Kroon als procespartij moet worden aangemerkt. De Raad heeft dit hersteld.<footnote-ref linkend="_801cb6a0-847c-4e01-900a-4e02490055f0" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Er is sprake van toerekenbaar wangedrag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om appellant wegens wangedrag te ontslaan in stand heeft gelaten. Hij doet dit aan de hand van argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft het bestreden besluit terecht in stand gelaten. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Appellant wordt onder meer verweten dat hij meerdere keren een dienstvoertuig heeft gebruikt voor privédoeleinden. Appellant stelt dat hij de dienstvoertuigen heeft gebruikt voor het bezoeken van een coach die hij zegt te hebben bezocht voor werkgerelateerde problematiek. Verder stelt appellant dat hij Defensie zo min mogelijk schade heeft willen berokkenen door de coach zoveel mogelijk te bezoeken buiten de diensttijd en op de route naar huis. De route naar deze coach lag nagenoeg op de route naar huis, aldus appellant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Vast staat dat appellant herhaaldelijk dienstvoertuigen heeft gebruikt voor privédoeleinden. Appellant heeft de dienstvoertuigen in de van belang zijnde periode niet voor vervoer naar één vaste locatie, maar voor vervoer naar verschillende, in het geheel niet met het werk in verband staande locaties gebruikt. De Kroon heeft die gedragingen mogen aanmerken als wangedrag. Van appellant had verwacht mogen worden dat hij voor het gebruik van dienstvoertuigen buiten het toegestane woon-werkverkeer om, vooraf om toestemming had gevraagd. Voor zover sprake is geweest van het bezoeken van een coach, wat daarvan overigens ook zij, had appellant dit vooraf met zijn werkgever moeten bespreken. Voor zover appellant om hem moverende redenen het bezoeken van een coach niet bespreekbaar heeft willen maken, restte hem niets anders dan in eigen tijd en met eigen vervoer naar de coach te reizen. Appellant heeft dit niet gedaan. Dit wangedrag kan appellant worden toegerekend. De beschikbare gegevens bieden geen basis voor het oordeel dat appellant niet in staat was in te zien dat zijn handelen ontoelaatbaar was en overeenkomstig dat inzicht te handelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het ontslag is niet onevenredig</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat het ontslag onevenredig is aan het gepleegde wangedrag, gezien de geringe hoeveelheid extra kilometers die hij naar zijn zeggen met de dienstvoertuigen heeft gereden. Dit betoog slaagt niet. Door het oneigenlijke gebruik van de dienstvoertuigen heeft appellant het in hem gestelde vertrouwen geschaad.  In het bestreden besluit is vermeld dat het belang bij het ontslag van appellant is dat het Ministerie van Defensie dient te beschikken over betrouwbaar, integer en volgens de regelgeving handelend personeel. Dit is een zwaarwegend belang, dat zwaarder heeft mogen wegen dan het belang van appellant bij het behoud van zijn aanstelling. Omdat dit wangedrag de disciplinaire maatregel van ontslag kan dragen zal de Raad de andere verweten gedragingen onbesproken laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>4. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Het moeten toepassen van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om de Kroon te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1674,- in beroep en op € 1674,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3348,-.  Ook moet de Kroon het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 455,- vergoeden. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para> bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para> veroordeelt de Kroon in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3348,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para> bepaalt dat de Kroon aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 455,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) B.J. van de Griend</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M. Dafir </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_801cb6a0-847c-4e01-900a-4e02490055f0" label="1">
    <para> Vergelijk de uitspraken van 9 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:451 en ECLI:NL:CRVB:2023:452.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>