<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-11T13:47:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/820 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:925">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-04T09:58:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:925 Centrale Raad van Beroep , 19-04-2022 / 20/820 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:925:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering van bijstand en AIO-aanvulling. Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van onroerende zaken die zij in Turkije hebben. Als gevolg daarvan kan de Svb het recht op bijstand en AIO-aanvulling niet vaststellen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:925:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>820 PW-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 januari 2020, 17/2853 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 19 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: P.W. van Straalen</para>
      <para>Griffier: R. van der Maarel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten zijn niet verschenen ter zitting. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze zaak om een intrekking per 1 maart 2005 van aanvullende bijstand en per 1 januari 2010 van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) en een terugvordering van kosten van bijstand en AIO-aanvulling tot een bedrag van € 35.554,23.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van onroerende zaken die zij in Turkije hebben. Dit betreft onroerende zaken in de gemeente [A.] en de gemeente [B.], die sinds 1 januari 1976 respectievelijk 1 januari 1982 op naam van appellant staan, en een groot aantal percelen in het disctrict [C.].</para>
      <para>Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan de Svb het recht op bijstand en het recht op AIO-aanvulling niet vaststellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten voeren aan dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. De onroerende zaken – in [A.] en naar de Raad begrijpt ook die in [B.] – zouden van de zoon zijn. Deze grond slaagt niet. Appellanten hebben op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de onroerende zaken, anders dan de tenaamstelling doet vooronderstellen, niet tot het vermogen van appellanten behoorden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben verder aangegeven dat zij begin jaren 2000 onderworpen zijn geweest aan een vermogensonderzoek en toen een deel van de bijstand moesten terugbetalen. Dat er eerder onderzoek heeft plaatsgevonden naar vermogensbestanddelen en dat dit heeft geleid tot enige besluitvorming op dat punt blijkt niet uit de gedingstukken. Deze niet onderbouwde stelling kan dan ook niet leiden tot aantasting van de bestreden besluitvorming. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten hebben geen melding gemaakt van de onroerende zaken in Turkije en hebben daarmee hun inlichtingenverplichting geschonden. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat, als zij destijds wel melding hadden gemaakt van de onroerende zaken, zij recht zouden hebben gehad op (aanvullende) bijstand, dan wel AIO-aanvulling. Dit betekent dat niet de Svb nader onderzoek moet doen, maar appellanten hun stelling moeten onderbouwen. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep, net als eerder de rechtbank, appellanten in de gelegenheid gesteld hun standpunt te onderbouwen. Zij hebben dat niet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R. van der Maarel	(getekend) P.W. van Straalen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>