<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-15T11:57:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/3074 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:801">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:801</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-13T09:36:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:801 Centrale Raad van Beroep , 31-03-2022 / 21/3074 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:801:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij brief van 22 april 2020 heeft de rechtbank vastgesteld dat het griffierecht niet (tijdig) is betaald. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat het griffierecht wel binnen de termijn is betaald, of dat het niet (tijdig) betalen hem niet kan worden aangerekend. Appellant heeft op deze brief geen inhoudelijke reactie gegeven. Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zien op de te late betaling van het griffierecht in beroep. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant in beroep niet in verzuim is geweest. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:801:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>3074 AOW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 31 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2021, 20/1024 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft afgezien van het indienen van een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft nadere stukken ingestuurd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is aan de orde gesteld op de zitting van 17 februari 2022. Partijen zijn daarbij niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Aan appellant is bij besluit van 7 oktober 2016 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) geweigerd, omdat hij minder dan één jaar verzekerd is geweest. Bij beslissing op bezwaar van 17 januari 2017 is het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2016 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In januari 2019 heeft appellant een nieuwe aanvraag gedaan om toekenning van een ouderdomspensioen. Met een besluit van 7 maart 2019 heeft de Svb geweigerd het besluit van 7 oktober 2016 te herzien. Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2020 (bestreden besluit) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant buiten de daartoe gestelde termijn het griffierecht heeft betaald. </para>
      <para />
      <para>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bij brief van 19 februari 2020 is appellant in beroep erop gewezen dat een griffierecht van € 48,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk binnen vier weken na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij aangetekende brief van 19 maart 2020 is appellant nog een keer gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.</para>
        <para>Appellant heeft hierop niet gereageerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij brief van 22 april 2020 heeft de rechtbank vastgesteld dat het griffierecht niet (tijdig) is betaald. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat het griffierecht wel binnen de termijn is betaald, of dat het niet (tijdig) betalen hem niet kan worden aangerekend. Appellant heeft op deze brief geen inhoudelijke reactie gegeven. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het griffierecht is op 6 mei 2020 voldaan. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald en daarom teruggestort. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zien op de te late betaling van het griffierecht in beroep. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant in beroep niet in verzuim is geweest.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van D.A. Vleesdraager als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A. van Gijzen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd te ondertekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DÉCISION</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale) confirme la décision attaquée</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Par conséquent, décidée par A. van Gijzen en présence de D.A. Vleesdrager qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 31 mars 2022.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>