<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-19T14:38:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/3522 ZW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:775">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:775</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-13T10:21:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:775 Centrale Raad van Beroep , 07-04-2022 / 21/3522 ZW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:775:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ZW-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:775:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>3522 ZW-PV </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 7 april 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2021, 20/4296 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: T. Dompeling</para>
      <para>Griffier: L.R. Kokhuis</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 7 april 2022. Appellant en zijn gemachtigde mr. S.A. Adjiembaks, advocaat, zijn ter zitting niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het Uwv heeft bij besluit van 14 februari 2020 de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet per 13 februari 2020 beëindigd, omdat hij geschikt moet worden geacht voor één van de functies waarvoor hij eerder geschikt is geacht, namelijk de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). Appellant was daarom niet meer ongeschikt voor zijn maatgevende arbeid. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 25 juni 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant – kortgezegd – zijn in beroep ingenomen standpunt gehandhaafd dat geen beperkingen zijn gesteld voor hand- en vingergebruik, terwijl hij wel beperkingen ervaart. Het zou zorgvuldiger zijn geweest wanneer de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover informatie had ingewonnen bij de behandelaars van appellant. Ook met zijn jeukklachten en zijn migraine is onvoldoende rekening gehouden. De rechtbank is niet inhoudelijk ingegaan op de in beroep daarover aangevoerde gronden.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De verzekeringsartsen hebben bij hun beoordeling informatie van de orthopedisch chirurg, de uroloog, de dermatoloog en de huisarts van appellant betrokken. De problemen met de derde vinger rechts waren bekend en zijn in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwerkt. Er is een beperking toegekend voor schroefbewegingen, maar zoals de rechtbank terecht heeft overwogen was dit niet van invloed op de geschiktheid voor de geduide functie productiemedewerker industrie. De in beroep door appellant overgelegde informatie van de dermatoloog geeft geen aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen van appellant als gevolg van jeuk zijn onderschat. De migraine klachten waren bekend er zijn geen aanknopingspunten om hiervoor meer beperkingen aan te nemen dan reeds zijn vastgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.</para>
      <para />
      <para>4. Het hoger beroep slaagt niet.</para>
      <para />
      <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier	De voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) L.R. Kokhuis	(getekend) T. Dompeling</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>