<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:555</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-29T13:12:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/2236 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:555">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:555</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-17T11:39:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:555 Centrale Raad van Beroep , 15-03-2022 / 21/2236 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:555:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Stortingen en bijschrijvingen. Maatregel.</para>
        <para>Het college heeft terecht over januari 2020 geen bijstand toegekend. De stortingen en bijschrijvingen in deze maand zijn hoger dan de bijstandsnorm. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bedragen geleend geld waren.  Het college heeft ook een maatregel opgelegd omdat appellant niet heeft meegewerkt aan een traject. Appellant heeft zijn gestelde financiële problemen niet concreet en aannemelijk gemaakt. Het college hoefde de maatregel niet te matigen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:555:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>2236 PW</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2021, 20/5823 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 15 maart 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. S.M.J. Iqbal, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het college heeft bij besluit van 27 april 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van <?linebreak?>23 september 2020 (bestreden besluit), aan appellant met ingang van 1 november 2019 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande met vier kosten delende medebewoners. Daarbij heeft het college beslist dat appellant over januari 2020 geen recht op bijstand had. De bedragen die in deze maand op zijn bankrekening zijn gestort en overgeschreven zijn namelijk aan te merken als middelen en inkomsten die bij elkaar opgeteld hoger zijn dan de voor appellant geldende bijstandsnorm. Verder heeft het college als maatregel de bijstand van appellant vanaf 1 februari 2020 voor één maand verlaagd met 30% op de grond dat hij niet heeft meegewerkt aan een traject en zich niet heeft gehouden aan de afspraken met de jongerencoach over het plan van aanpak. De maatregel is gebaseerd op artikel 18, tweede lid, van de PW in verbinding met de toepasselijke bepalingen van de Verordening maatregelen en handhaving PW, IOAW, en IOAZ van de gemeente Rotterdam. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dringende redenen opleveren om de maatregel te matigen of om die niet op te leggen, zoals bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW. </para>
      <para />
      <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende overwogen. Appellant heeft aangevoerd dat de in januari 2020 op zijn rekening bijgeschreven bedragen geleend waren. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die bedragen geleend waren. Hij heeft namelijk geen stukken overgelegd die zijn stelling dat het om leningen gaat ondersteunen. Het college heeft dan ook de storting op de bankrekening en de andere bijschrijvingen in januari 2020 terecht aangemerkt als inkomsten. Het college heeft ook terecht vastgesteld dat die bedragen tezamen hoger zijn dan de voor appellant geldende bijstandsnorm, zodat hij over die maand geen recht had op bijstand. Appellant heeft verder aangevoerd dat er, gelet op zijn financiële situatie, bijzondere omstandigheden waren die tot een dringende reden leidden om de maatregel te matigen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Het college heeft in de financiële situatie van appellant in redelijkheid geen dringende redenen als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de PW, hoeven zien. Het standpunt van het college dat appellant bij zijn ouders inwonend is waardoor de financiële gevolgen van de maatregel geacht worden niet al te ingrijpend te zijn, gaat de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant zijn gestelde financiële problemen als gevolg van de maatregel niet heeft geconcretiseerd en ook niet met stukken heeft onderbouwd. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft voor de gronden daarvan verwezen naar de in beroep aangevoerde gronden. Over de bijschrijvingen en de storting op zijn bankrekening heeft appellant opgemerkt dat hij zich bewust is dat hij de leningsovereenkomsten die hij zou inbrengen niet heeft ingebracht. Over de maatregel heeft appellant aangevoerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij er niet voor heeft gekozen om in zijn geval de maatregel met toepassing van artikel 18, tiende lid, van de PW te matigen.<?linebreak?></para>
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellant heeft ook in hoger beroep zijn gestelde financiële problemen en zijn financiële situatie niet concreet gemaakt en niet met enig controleerbaar gegeven aannemelijk gemaakt. Het college had dan ook geen aanknopingspunten om de maatregel te matigen, zoals door appellant bedoeld. Dat in het algemeen een bijstandsuitkering voorziet in de minimale levensbehoeften, zodat elke verlaging ervan grote gevolgen heeft, leidt niet tot een ander oordeel. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) F. Hoogendijk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M. Zwart </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>