<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:2467</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-24T11:46:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21 / 4389 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2467">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2467</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-24T11:46:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:2467 Centrale Raad van Beroep , 18-11-2022 / 21 / 4389 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:2467:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Premature aanvraag. De Raad stelt vast dat appellante uitsluitend wil weten of zij in de toekomst eventueel aanspraak kan maken op huurbijdrage. Zij is nog steeds woonachtig in de koopwoning en een verhuizing naar een huurwoning is (nog) niet aan de orde. De door appellante ingediende aanvraag is dan ook een premature aanvraag en kan alleen al om die reden niet voor inwilliging in aanmerking komen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:2467:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>4389 WUV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 18 november 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 november 2021, kenmerk BZ011460611 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2022. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Leurink-Ofman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante is in 1993 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wuv. In dat verband is aanvaard dat appellante psychische klachten en bruxisme heeft die in verband staan met de vervolgingsgevolgen van haar ouders. Aan appellante zijn op grond van de Wuv een periodieke uitkering en verschillende voorzieningen toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In juli 2021 heeft appellante verzocht om een vergoeding voor huurbijdrage. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 11 augustus 2021, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de voorziening niet in verband staat met de psychische klachten van appellante, maar voortvloeit uit haar financiële situatie, zodat er geen sprake is van extra kosten in de zin van de Wuv.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op grond van de Wuv kan verweerder een vergoeding voor huurbijdrage toekennen als bij een betrokkene sprake is van een in verband met een causale aandoening medisch noodzakelijke verhuizing van een huurwoning naar een andere (adequate) huurwoning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit de stukken en wat op de zitting is verteld komt naar voren dat appellante in financiële onmin leeft met verschillende gemeentelijke instanties en hypotheekverstrekkers. Zij vreest dat die situatie in de (nabije) toekomst ertoe zal leiden dat zij haar huidige koopwoning zal verliezen en zal moeten verhuizen naar een woning uit het sociale segment. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De Raad stelt vast dat appellante uitsluitend wil weten of zij in de toekomst eventueel aanspraak kan maken op huurbijdrage. Zij is nog steeds woonachtig in de koopwoning en een verhuizing naar een huurwoning is (nog) niet aan de orde. De door appellante ingediende aanvraag is dan ook een premature aanvraag en kan alleen al om die reden niet voor inwilliging in aanmerking komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>BESLISSING</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2022.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) H. Lagas</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>						(getekend) E.J. van der Veldt</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>