<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-08T13:25:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/1803 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-07T11:12:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:242 Centrale Raad van Beroep , 27-01-2022 / 20/1803 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij brief van 23 juni 2021 heeft het Uwv te kennen gegeven zich niet te verweren tegen een veroordeling in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Ook is het Uwv bereid het in beroep en hoger beroep verschuldigde griffierecht te vergoeden. Mocht op dat moment aanleiding bestaan tot verrekening, dat zal hierover besluitvorming plaatsvinden waartegen appellant rechtsmiddelen kan aanwenden. Met het bestreden besluit en het standpunt in de brief van 25 mei 2021 over de vergoeding van de kosten gemaakt in bezwaar is het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Een besluit tot verrekening ligt niet voor. De vraag of het Uwv tot verrekening mag overgaan behoort daarmee, anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, niet tot de omvang van het geschil. Hieruit volgt dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>1803 WIA</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 april 2020, 19/2540 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 27 januari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben nadere stukken ingediend en over en weer gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 16 december 2021. Namens appellant is verschenen mr. Grégoire.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 17 januari 2017 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 6 maart 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100% en het einde van de loongerelateerde periode op 20 december 2018. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv bij besluit van 21 september 2018 aan appellant met ingang van 21 december 2018 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De ex-werkgever van appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 september 2018, waarop een verzekeringskundig en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Bij brief van 26 april 2019 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat uit dit onderzoek is gebleken dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat zijn WIA-uitkering zal worden beëindigd binnen twee maanden na de te nemen beslissing op bezwaar. Appellant heeft hierop enkele zienswijzen ingediend en appellant is op 4 oktober 2019 gehoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 20 september 2019 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van de werkgever tegen het besluit van 21 september 2018. Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard en aan appellant met ingang van 21 december 2018 een IVA-uitkering toegekend. Omdat het bezwaar ongegrond is verklaard vergoedt het Uwv de gemaakte kosten niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Appellant heeft tegen het bestreden besluit onder meer aangevoerd dat hij in aanmerking moet worden gebracht voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in bezwaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellant ongegrond verklaard, voor zover bij de beslissing op bezwaar is geweigerd om de kosten van appellant in de bezwaarprocedure te vergoeden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte niet is veroordeeld tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Bij brief van 25 mei 2021 heeft het Uwv te kennen gegeven appellant alsnog een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 1.068,- in verband met de in bezwaar gemaakte kosten. Daarbij heeft het Uwv opgemerkt dat wordt overgegaan tot vergoeding van dit bedrag na afloop van deze procedure en dat indien op dat moment sprake zou zijn van een vordering van Uwv op appellant, het Uwv het recht voorbehoudt deze vergoeding daarmee te verrekenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Appellant heeft hierop te kennen gegeven het hoger beroep niet in te trekken omdat hij zich niet kan vinden in het voorbehoud van een eventuele toekomstige verrekening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij brief van 23 juni 2021 heeft het Uwv te kennen gegeven zich niet te verweren tegen een veroordeling in de proceskosten in beroep en hoger beroep. Ook is het Uwv bereid het in beroep en hoger beroep verschuldigde griffierecht te vergoeden. Mocht op dat moment aanleiding bestaan tot verrekening, dat zal hierover besluitvorming plaatsvinden waartegen appellant rechtsmiddelen kan aanwenden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Partijen hebben vervolgens over en weer nog schriftelijk standpunten uitgewisseld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit en het standpunt in de brief van 25 mei 2021 over de vergoeding van de kosten gemaakt in bezwaar is het Uwv geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Een besluit tot verrekening ligt niet voor. De vraag of het Uwv tot verrekening mag overgaan behoort daarmee, anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, niet tot de omvang van het geschil. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit 4.1 volgt dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel over de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.082,- in bezwaar, € 1.518,- in beroep en € 1.518,- in hoger beroep, in totaal € 4.118,-. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 4.118,-;</para>
    <para>- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierrecht van in totaal € 131,- vergoedt. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H.G. Rottier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(Getekend) C.G. van Straalen</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>