<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:2195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-18T15:00:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21 / 3806 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2195">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2195</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-14T09:51:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:2195 Centrale Raad van Beroep , 13-10-2022 / 21 / 3806 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:2195:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om herziening afgewezen. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:2195:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>3806 AOW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 13 oktober 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019, 18/6380 AOW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] te [woonplaats] (Marokko) (verzoeker)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 28 maart 2019, 18/6380 AOW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2022. Partijen zijn niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019, 18/6380 AOW, heeft de Raad het hoger beroep van verzoeker tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2018, 17/7095 niet-ontvankelijk verklaard omdat het hoger beroepschrift niet tijdig is ingediend en er geen goede reden voor was. De rechtbankuitspraak betrof een beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar inzake een ouderdomspensioen ingevolge de AOW. De aanvraag is afgewezen door de Svb op de grond dat niet is komen vast te staan dat appellant in Nederland heeft gewoond en/of gewerkt. Het bezwaar tegen dit besluit van 10 november 2016 is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 18 oktober 2017. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ontvangen en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Bij uitspraak van 20 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3063, heeft de Raad het verzet van verzoeker tegen de uitspraak 28 maart 2019 ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 31 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1693, heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 september 2019 afgewezen. Bij uitspraak van 13 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2070, heeft de Raad het verzoek om herziening van de uitspraak van 20 september 2019 opnieuw afgewezen. </para>
      <para />
      <para>2. Verzoeker heeft een herhaald verzoek om herziening ingediend en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij zijn hoger beroepschrift destijds niet tijdig heeft ingediend omdat hij de uitspraak te laat heeft ontvangen. Hij vraagt de Raad daarom om opnieuw naar zijn zaak te kijken en een nieuwe beslissing te nemen. Het herzieningsverzoek moet, gezien deze stelling, worden geacht te zien op de uitspraak van de Raad van 28 maart 2019.</para>
      <para />
      <para>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:</para>
      <para>a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,</para>
      <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en</para>
      <para>c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak</para>
      <para>zouden hebben kunnen leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het is vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1615) dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb naar voren gebracht. Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.E.V. Lenos</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) L.C. van Bentum</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>