<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:2026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-27T11:22:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/1847 PW-VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2026">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-23T13:12:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:2026 Centrale Raad van Beroep , 12-09-2022 / 22/1847 PW-VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:2026:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Voorlopige voorziening afgewezen. Geen spoedeisend belang.</para>
        <para>De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel financieel spoedeisend belang. Wat verzoeker hierover naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om een dergelijk belang aan te nemen. Verzoeker heeft niet gesteld dat hij door het bestreden besluit schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Ook heeft verzoeker niet, bijvoorbeeld door middel van bankafschriften, aannemelijk gemaakt dat hij geen geld meer heeft om eten en drinken te kopen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:2026:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>1847 PW-VV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 12 september 2022</para>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verzoeker heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2022, 22/2290 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen op 29 augustus 2022. Namens verzoeker heeft mr. Velthorst aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoeker ontving sinds 17 juli 2008 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van een melding dat verzoeker sinds 1 februari 2022 een auto op zijn naam geregistreerd heeft staan met een waarde van € 16.250,- (voertuig), heeft een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam (handhavingsspecialist) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsspecialist verzoeker bij brief van 9 februari 2022 verzocht om voor 19 februari 2022 onder meer een aankoopnota van het voertuig over te leggen. Verzoeker heeft dat niet gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 25 februari 2022 heeft het college het recht op bijstand van verzoeker opgeschort per 25 februari 2022 en verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens, waaronder de aankoopnota van het voertuig, over te leggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 maart 2022 heeft het college de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 25 februari 2022 ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 28 maart 2022 opnieuw bijstand op grond van de PW aangevraagd. Bij besluit van 19 april 2022 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat verzoeker niet de informatie heeft verstrekt waar het college hem om gevraagd had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Bij besluit van 20 april 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2022 gegrond verklaard, dit besluit herroepen en bepaald dat bijstand wordt verleend tot 20 april 2022. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker tijdig de gevraagde stukken heeft opgestuurd, maar dat het recht op bijstand met ingang van 20 april 2022 niet langer kan worden vastgesteld. Het college heeft, onder verwijzing naar artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), afgezien van het houden van een hoorzitting op de grond dat aan de bezwaren van verzoeker tegemoet is gekomen.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
      <para />
      <para>3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoeker heeft daarbij vermeld dat hij in een financieel precaire situatie verkeert. </para>
      <para />
      <para>4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening heeft verzoeker, nadat hij hiertoe door de Raad bij brief van 16 juni 2022 was uitgenodigd, aangevoerd dat hij geen geld heeft om eten en drinken te kopen. Voorts heeft verzoeker een betalingsherinnering van de door hem verschuldigde ziektekostenpremie over de maand juni 2022, een aanmaning van de woningbouwvereniging van 13 juni 2022 en een bericht van een energiemaatschappij dat de automatische incasso op 30 mei 2022 niet is gelukt, overgelegd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker aangevoerd dat de spoedeisendheid van het verzoek tevens voortvloeit uit de omstandigheid dat de aangevallen uitspraak, naar verzoeker stelt, evident onrechtmatig is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Vergelijk de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764, en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228. Dit betekent in dit geval dat de enkele omstandigheid dat de aangevallen uitspraak volgens verzoeker onrechtmatig is niet kan leiden tot het aannemen van een spoedeisend belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel financieel spoedeisend belang. Wat verzoeker hierover naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om een dergelijk belang aan te nemen. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij geen contact meer heeft met verzoeker en niet weet wat de inkomenssituatie van verzoeker is. Verzoeker heeft ook niet gesteld dat hij door het bestreden besluit schulden heeft moeten maken op grond waarvan acute dreiging bestaat van huisuitzetting, afsluiting van levering van energie en water of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten. Ook heeft verzoeker niet, bijvoorbeeld door middel van bankafschriften, aannemelijk gemaakt dat hij geen geld meer heeft om eten en drinken te kopen. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit 4.4 volgt dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond oplevert om te oordelen dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) J.L. Boxum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A.M.M. Chevalier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>