<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:1750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-26T09:12:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">22/85 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1750">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1750</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-16T13:04:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:1750 Centrale Raad van Beroep , 04-08-2022 / 22/85 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:1750:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIA-uitkering terecht beëindigd. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:1750:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>22</nr>85 WIA   </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 4 augustus 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van</para>
      <para>30 november 2021, 21/510 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. M. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Idrissi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door <?linebreak?>mr. L.J.M.M. de Poel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant is werkzaam geweest als stratenmaker/kabeltrekker voor 39,75 uur per week. Op 6 februari 2017 heeft appellant zich ziek gemeld met rugklachten. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 maart 2019. Bij besluit van 2 mei 2019 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 9 februari 2019 een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,80%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 mei 2019. In het kader van de heroverweging heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 12 maart 2020 geconcludeerd dat er enige aanvullende psychische beperkingen aan de orde zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 30 maart 2020, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen als verwoord in de nieuwe FML, nieuwe functies geselecteerd en vastgesteld dat er geen sprake meer is van verlies aan verdienvermogen. Nadat het Uwv appellant bij brief van 1 april 2020 in kennis heeft gesteld van het voornemen om het besluit van 2 mei 2019 te herzien, heeft appellant zijn bezwaar ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 13 mei 2020 vastgesteld dat appellant per</para>
        <para>9 februari 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat zijn WIA-uitkering vanaf </para>
        <para>14 juli 2020 stopt. Aan dat besluit liggen rapporten van 12 maart 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 30 maart 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 2020 heeft het Uwv bij besluit van 18 december 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten van 20 oktober 2020 en 9 december 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en rapporten van 30 oktober 2020 en 16 december 2020 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep  in het rapport van 9 december 2020 genoegzaam heeft toegelicht dat er sprake moet zijn van volledige arbeidsongeschiktheid om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Van volledige arbeidsongeschiktheid is blijkens het Schattingsbesluit – kort gezegd – sprake in het geval van opname in een ziekenhuis of een instelling, bedlegerigheid, het ontbreken van iedere vorm van zelfredzaamheid of een ernstige psychische stoornis waardoor de betrokkene ernstig disfunctioneert. Daarvan is in het geval van appellant niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat met de geobjectiveerde beperkingen van appellant, zowel fysiek als psychisch, rekening is gehouden bij het vaststellen van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, anders dan appellant meent, geen aanleiding hoeven zien een urenbeperking aan te nemen. Gewezen is op de ‘Standaard duurbelastbaarheid in arbeid’, waarin is bepaald dat slechts in een beperkt aantal gevallen (kortweg bij forse energetische beperkingen, beschikbaarheid voor arbeid en op preventieve gronden) een urenbeperking kan worden vastgesteld. In de verzekeringsgeneeskundige rapportages is volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd</para>
        <para>dat hiervan geen sprake is. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een inhoudelijke aanpassing van de arbeid de voorkeur geniet</para>
        <para>boven een beperking van de arbeidsduur. Indien voldoende rekening gehouden wordt met de</para>
        <para>psychische beperkingen in werk, inclusief het beperken van nachtdiensten en onregelmatige</para>
        <para>werktijden, is er geen medische reden voor een aanvullende arbeidsduurbeperking. De rechtbank heeft er op gewezen dat appellant in beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de geduide functies de in de FML vastgestelde mogelijkheden en beperkingen van appellant overschrijden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn arbeidsongeschiktheid te laag heeft vastgesteld. Appellant is van mening dat hij recht heeft op een IVA-uitkering omdat hij vanwege ernstige psychische klachten niet zelfredzaam is en deze situatie duurzaam is.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad oordeelt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft bepaald dat appellant vanaf 14 juli 2020 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De gronden van appellant in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en geven geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De verzekeringsartsen hebben de psychische en lichamelijke klachten van appellant onderkend en in verband daarmee beperkingen aangenomen. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie ingediend die steun biedt voor zijn standpunt dat bij hem iedere vorm van zelfredzaamheid ontbreekt en dat hij daarom volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De medische stukken in het dossier bieden ook geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft. Dat appellant zwaar werk heeft gedaan en pijn heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Appellant is diverse keren onderzocht door artsen van het Uwv en met informatie van behandelaars, zoals de huisarts, PsyQ en Sanya, is rekening gehouden.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) E.X.R. Yi</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>