<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:1581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-19T09:28:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/4476 WIA-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1581">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-07-18T14:32:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-07-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:1581 Centrale Raad van Beroep , 09-06-2022 / 21/4476 WIA-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:1581:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Evenals de rechtbank is het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig geweest en goed gemotiveerd. De door appellant ingebrachte medische informatie biedt geen nieuwe medische feiten of omstandigheden, die niet al bekend waren of een nieuw licht werpen op de medische situatie. Het verzoek van appellant is door het Uwv terecht afgewezen met verwijzing naar zijn besluit van 6 februari 2018. Bestreden besluit is niet evident onredelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:1581:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>4476 WIA-PV </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 juni 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2021, 20/2662 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: mr. T. Dompeling</para>
      <para>Griffier: C.G. van Straalen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. D. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door <?linebreak?>mr. W. de Rooy-Bal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <para>1. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para />
    <para>2. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    <para />
    <para>3. Bij besluit van 16 mei 2019 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen op het besluit van 6 februari 2018 waarbij is vastgesteld dat de hoogte van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) niet wijzigt. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 22 april 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>5. In hoger beroep heeft appellant – kortgezegd – zijn in beroep ingenomen standpunt gehandhaafd dat uit de door hem ingebrachte medische informatie blijkt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. </para>
    <para />
    <para>6. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en zien op de vraag of de beperkingen juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en goed gemotiveerd is. De door appellant ingebrachte medische informatie biedt geen nieuwe medische feiten of omstandigheden, die niet al bekend waren of een nieuw licht werpen op de medische situatie. Het Uwv mocht het verzoek van appellant dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 6 februari 2018. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.</para>
    <para />
    <para>7. Wat betreft het beroep van appellant op het Korošec-arrest wordt erop gewezen dat het in de onderhavige zaak moet gaan om een nieuw feit of veranderde omstandigheid die bij de vorming van het besluit van 6 februari 2018 niet bekend was of kon zijn. Dat nieuwe feit of die veranderde omstandigheid dient appellant bij zijn verzoek aan het Uwv om terug te komen van het besluit van 6 februari 2018 voldoende aannemelijk te maken. Daarmee verdraagt zich in beginsel niet het inschakelen door de bestuursrechter van een onafhankelijke deskundige voor het instellen van een medisch onderzoek, zoals appellant heeft gevraagd (zie laatstelijk de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3050).</para>
    <para />
    <para>8. Het hoger beroep slaagt niet.</para>
    <para>9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>C.G. van Straalen	T. Dompeling</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>