<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2022:1230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-09T15:11:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/4291 WIA-V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1230">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2022:1230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-06-08T10:08:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2022:1230 Centrale Raad van Beroep , 20-05-2022 / 20/4291 WIA-V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2022:1230:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet gegrond. In verzet is gebleken dat het griffierecht in de zaken met nummers 20/4291, 20/4292 en 20/4293 wel tijdig door appellante is voldaan. De termijn om griffierecht te betalen eindigde in alle drie de zaken op 20 februari 2021. Dit was een zaterdag. In artikel 1 van de Algemene Termijnenwet staat dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is. Volgens artikel 24 van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges is de Algemene Termijnenwet in gevallen als deze van overeenkomstige toepassing. Het griffierecht is op maandag 22 februari 2021 voldaan en daarmee tijdig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2022:1230:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 20 mei 2022</para>
      <para>20/4291 WIA, 20/4292 WIA, 20/4293 WIA-V</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2020, 19/4040, 19/4042, 19/4043 en 19/6639 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak van </para>
      <para>3 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft die beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is het niet eens met niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzet is behandeld ter zitting van 8 april 2022. Beide partijen waren daarbij niet aanwezig.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft het hoger beroep van appellante in de uitspraak van 9 december 2021 </para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verzet is gebleken dat het griffierecht in de zaken met nummers 20/4291, 20/4292 en 20/4293 wel tijdig door appellante is voldaan. De termijn om griffierecht te betalen eindigde in alle drie de zaken op 20 februari 2021. Dit was een zaterdag. In artikel 1 van de Algemene Termijnenwet staat dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is. Volgens artikel 24 van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges is de Algemene Termijnenwet in gevallen als deze van overeenkomstige toepassing. Het griffierecht is op maandag 22 februari 2021 voldaan en daarmee tijdig. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat het verzet gegrond wordt verklaard, de uitspraak van 9 december 2021 voor de zaken 20/4291, 20/4292 en 20/4293 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Daarnaast is gebleken dat aan appellante ten onrechte is verzocht vier keer griffierecht te betalen, terwijl zij slechts twee maal griffierecht was verschuldigd. Het teveel betaalde griffierecht van € 262,- zal door de griffier van de Raad aan appellante worden terugbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een bedrag van € 262,- aan appellante wordt terugbetaald.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2022.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.C. Boeree</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) S.C. Scholten</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>