<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-02-25T11:06:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/699 ANW-W</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2022:319" psi:type="http://psi.rechtspraak/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:319</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:935">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:935</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-26T11:47:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:935 Centrale Raad van Beroep , 16-04-2021 / 20/699 ANW-W</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:935:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In het verzoek om wraking wordt zonder enige onderbouwing gesteld dat verzoeksters gemachtigde is verhinderd voor de zitting wegens medische behandelingen in het buitenland. Voorts wordt gesteld dat indien geen uitstel van de zitting zal worden verleend de behandelend rechter wordt gewraakt wegens diverse negatieve uitlatingen. Ook hier ontbreekt iedere onderbouwing. Gelet op de door verzoekster gebruikte argumenten, waarbij in het geheel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de behandelend rechter in deze zaken blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, moet worden geconcludeerd dat het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen. Het verzoek om wraking heeft kennelijk tot doel te bereiken dat uitstel voor de behandeling ter zitting wordt verleend. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen. Tevens bestaat aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoekster om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:935:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>20/699 ANW-W</para>
  <parablock>
    <para>Datum beslissing: 16 april 2021</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [verzoekster] te [woonplaats] (Tunesië) (verzoekster)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens verzoekster heeft M.H. Haddad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2019, 19/2686.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Raad heeft verzoekster geïnformeerd dat haar hoger beroep op 16 april 2021 ter zitting zal worden behandeld en is zij uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verzoekster heeft op 4 april 2021 en 13 april 2021 verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Deze verzoeken zijn afgewezen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verzoekster heeft op 15 april 2021 opnieuw verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting en daarbij aangegeven dat, indien geen uitstel zou worden verleend, haar slechts de mogelijkheid restte van een wraking van mr. T.L. de Vries (behandelend rechter).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Ook laatstgenoemd verzoek om uitstel is door de behandelend rechter afgewezen. De behandeling ter zitting is geschorst en het verzoek om wraking is overgedragen aan de wrakingskamer.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.</para>
    <para />
    <para>2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2019, 32568) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.</para>
    <para />
    <para>3. In het verzoek wordt zonder enige onderbouwing gesteld dat verzoeksters gemachtigde is verhinderd voor de zitting wegens medische behandelingen in het buitenland. Voorts wordt gesteld dat indien geen uitstel van de zitting zal worden verleend de behandelend rechter wordt gewraakt wegens diverse negatieve uitlatingen. Ook hier ontbreekt iedere onderbouwing.</para>
    <para />
    <para>4. Gelet op de door verzoekster gebruikte argumenten, waarbij in het geheel niet duidelijk wordt gemaakt waarom de behandelend rechter in deze zaken blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, moet worden geconcludeerd dat het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het recht om een wrakingsverzoek in te dienen. Het verzoek om wraking heeft kennelijk tot doel te bereiken dat uitstel voor de behandeling ter zitting wordt verleend. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.</para>
    <para />
    <para>5. Gelet op wat onder 4 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoekster om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster om wraking in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door E. Dijt als voorzitter en E.W. Akkerman en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier		De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) P. Boer		(getekend) E. Dijt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift</para>
      <para>de griffier van de </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>