<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-12T17:05:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">21/101 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:740">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:740</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-06T08:17:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:740 Centrale Raad van Beroep , 16-03-2021 / 21/101 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:740:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Buiten behandeling laten aanvraag om bijdrage op grond van de Bijdrageregeling minima en collectieve zorgverzekering 2018. Kortsluiting. Voorlopige voorziening. Het college heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb de aanvraag van verzoeker om een bijdrage op grond van de Bijdrageregeling minima en collectieve zorgverzekering 2018 buiten behandeling te laten. Verzoeker heeft de gegevens, waaronder bankafschriften niet, ook niet na de hem verleende hersteltermijn, overgelegd. De enkele mededeling dat de Belastingdienst het belastbaar inkomen van verzoeker over 2018 heeft vastgesteld op € 0,- en de omstandigheid dat hij op het aanvraagformulier heeft aangegeven dat het saldo op zijn bank- en spaarrekeningen meer (lees: minder) dan € 6.020,- bedraagt is, onvoldoende om zijn recht op de door hem gevraagde bijdrage te beoordelen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:740:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>21</nr>102 PW-VV-PV, 21/101 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 november 2020, 19/6850 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 16 maart 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte</para>
      <para>Griffier: R. de Haas</para>
      <para>Verzoeker is ter zitting niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Krikke.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Op grond van de Bijdrageregeling minima en collectieve zorgverzekering 2018 (Bijdrageregeling) kan een betrokkene verzoeken om een bijdrage voor sociale en culturele activiteiten, om deel te nemen aan een collectieve zorgverzekering en om een bijdrage voor de gemeentelijke afvalstoffenheffing ter hoogte van de hem opgelegde aanslag. Verzoeker heeft het college bij aanvraag van 6 augustus 2018 om laatstgenoemde bijdrage verzocht. Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 1 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2019 (bestreden besluit), met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. </para>
    <para />
    <para>4. In wat verzoeker heeft aangevoerd is een voldoende spoedeisend belang gelegen. Dit wordt niet door het college bestreden. </para>
    <para />
    <para>5. De Raad is bevoegd om te oordelen over het onderhavige geschil. Hierbij wordt gewezen op de in de Bijdrageregeling genoemde verwijzing naar de Participatiewet en naar de bijdragen waarop deze regeling ziet. </para>
    <para />
    <para>6. Het bestreden besluit berust op de grondslag dat verzoeker onvoldoende gegevens en bescheiden heeft overgelegd om de aanvraag te kunnen beoordelen alsmede dat verzoeker in strijd met een wettelijk voorschrift niet heeft voldaan aan het indienen van een aanvraag. Verzoeker heeft dit verzuim, nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, niet hersteld.</para>
    <para />
    <para>7. Verzoeker heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij voldoende gegevens heeft verschaft om de aanvraag te kunnen beoordelen. </para>
    <para />
    <para>8. Voor de beoordeling van een aanvraag op grond van de Bijdrageregeling is blijkens deze regeling met name de inkomens- en vermogenssituatie van een betrokkene van belang. In verband hiermee – en ter verificatie van wat een betrokkene op zijn aanvraagformulier invult – heeft het college dan ook terecht verzocht om samen met het aanvraagformulier de daarin vermelde gegevens, (onder meer) bankafschriften van de laatste drie maanden, overzicht van het inkomen van de laatste drie maanden en bewijsstukken met betrekking tot eventuele overige bezittingen en schulden, over te leggen. Verzoeker heeft deze gegevens niet, ook niet na de hem verleende hersteltermijn, overgelegd. Gelet op het voorgaande, en anders dan verzoeker heeft betoogd, was zijn enkele mededeling dat de Belastingdienst het belastbaar inkomen van verzoeker over 2018 heeft vastgesteld op € 0,- en de omstandigheid dat hij op het aanvraagformulier van 6 augustus 2018 heeft aangegeven dat het saldo op zijn bank- en spaarrekeningen meer dan € 6.020,- bedraagt, onvoldoende om zijn recht op de door hem gevraagde bijdrage te beoordelen. </para>
    <para />
    <para>9. Gelet op wat onder 8 is overwogen heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c van de Awb de aanvraag van verzoeker buiten behandeling te laten. De vraag of appellant evenmin heeft voldaan aan een wettelijk voorschrift voor het indienen van de aanvraag, zoals bedoeld in het hiervoor genoemde artikellid onder a, kan daardoor in het midden blijven.</para>
    <para />
    <para>10. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	De voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R. de Haas	(getekend) O.L.H.W.I. Korte</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>