<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-02T10:36:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/1946 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2020:4301" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:4301, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:403">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:403</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-25T15:12:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:403 Centrale Raad van Beroep , 16-02-2021 / 20/1946 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:403:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Op geld waardeerbare werkzaamheden. Recht niet (schattenderwijs) vast te stellen. Geen dringende reden. Het college heeft de bijstand van appellant terecht ingetrokken en teruggevorderd op de grond dat het recht niet is vast te stellen omdat appellant niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om een schatting op te kunnen baseren. Er is geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:403:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>1946 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2020, 19/5314 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats] </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 16 februari 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: P.W. van Straalen</para>
      <para>Griffier: R. de Haas</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. L.H.E.M. Berendse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Zonneveld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze zaak om de intrekking van bijstand per 1 mei 2018 en de terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 maart 2019 tot een bedrag van € 16.560,69. Aan de besluitvorming van het college ligt ten grondslag dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellanten hebben hun inlichtingenverplichting geschonden door die werkzaamheden niet te melden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet in geschil is dat appellant de op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellanten voeren in hoger beroep aan dat het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bewijslast om aannemelijk te maken dat aanvullend recht bestaat op bijstand rust op appellanten. Zij zijn in die bewijslast niet geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij slechts incidenteel werkzaamheden heeft verricht en dat hij daarvoor € 10,- per uur kreeg, is onvoldoende om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Bewijsstukken die het mogelijk maken om een schatting te maken van de omvang van de werkzaamheden en het daartegenover staande uurloon ontbreken. De enkele stelling van appellant over de omvang van de werkzaamheden en zijn medische situatie, alsmede de vier waarnemingen die zijn verricht, bieden onvoldoende aanknopingspunten om een schatting op te kunnen baseren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten voeren voorts aan dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellanten vrezen dat zij als gevolg van de terugvordering onvoldoende tegemoet kunnen komen aan de sociaal maatschappelijke belangen van hun inmiddels 17-jarige kleinzoon, waarvoor appellanten de zorg dragen. Bovendien levert de terugvordering appellant veel stress op, terwijl hij al gezondheidsklachten heeft. Appellant heeft neuropathie en is hartpatiënt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit geen dringende redenen oplevert. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Zoals de rechtbank heeft overwogen, levert de enkele zorg voor de kleinzoon geen dringende redenen op. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de terugvordering zwaar drukt. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. Appellanten hebben bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat appellanten als gevolg van de terugvordering stress ervaren is begrijpelijk, maar levert geen onaanvaardbaar gevolg op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R. de Haas	(getekend) P.W. van Straalen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>