<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:3325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-04T14:57:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/6564 WLZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:3325">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:3325</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-01-04T14:56:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:3325 Centrale Raad van Beroep , 29-12-2021 / 18/6564 WLZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:3325:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:3325:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>6564 WLZ </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 29 december 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van </para>
      <para>21 november 2018, 18/1263 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>CZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2021. Appellant is niet verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant is door CIZ geïndiceerd voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor heeft aan appellant voor het jaar 2018 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellant heeft een zorgovereenkomst gesloten met zorgverlener Raja Thuiszorg B.V. (Raja). Appellant heeft deze zorgovereenkomst ter goedkeuring voorgelegd aan het zorgkantoor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2018 (bestreden besluit), heeft het zorgkantoor goedkeuring onthouden aan de zorgovereenkomst. Het zorgkantoor heeft zich, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat uit de beschikbare informatie niet duidelijk is welke zorg daadwerkelijk wordt geleverd door Raja en of dit Wlz-zorg betreft. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat onvoldoende duidelijk is welke zorg Raja daadwerkelijk zal gaan verlenen. Appellant heeft ook in beroep geen aanvullende informatie verstrekt over de zorg van Raja. Hierdoor blijkt niet op welke wijze Raja voorziet in de behoefte van appellant aan Wlz-zorg. Het zorgkantoor heeft terecht goedkeuring onthouden aan de zorgovereenkomst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de maatschappelijke positie van hem ten opzichte van het zorgkantoor. Ook is appellant de Nederlandse taal niet machtig en kon hij daarom niet weten dat de aan het zorgkantoor verstrekte informatie niet voldoende zou zijn. Tot slot verleent Raja volgens appellant goede zorg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Het zorgkantoor heeft in verweer gesteld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep.</para>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.  </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het zorgkantoor heeft ter zitting toegelicht dat appellant in 2018 geen declaraties van door Raja aan hem geleverde zorg heeft ingediend bij de Sociale verzekeringsbank. Ook heeft appellant geen andere met Raja gesloten zorgovereenkomst ter goedkeuring voorgelegd aan het zorgkantoor. Uit de stukken blijkt dat de zorgovereenkomst met [naam], die de zorg vanaf 1 februari 2018 heeft verleend, wel is goedgekeurd. Appellant is niet op de zitting van de Raad verschenen en heeft hem gestelde schriftelijke vragen over het procesbelang niet beantwoord. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en E.J. Otten en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) D.S. de Vries</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.J. van der Veldt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>