<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:3259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-23T14:16:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/1156 WMO15-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:3259">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:3259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-12-23T10:53:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:3259 Centrale Raad van Beroep , 22-12-2021 / 20/1156 WMO15-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:3259:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag op grond van de WMO 2015 voor een woonvoorziening in de vorm van een aanbouw aan een nieuw betrokken woning omdat appellant, gelet op zijn beperkingen, niet is verhuisd naar een op dat moment beschikbare geschikte woning. Geen bijzondere omstandigheden die nopen tot het verstrekken van een woonvoorziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:3259:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>1156 WMO15-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 maart 2020, 19/3343 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 22 december 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: J.P.A. Boersma als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: D. Al-Zubaidi</para>
      <para>Ter zitting van 15 december 2021 zijn verschenen: mr. M.I. Bal, namens appellant, alsmede [naam] en M. Koning, namens het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het college heeft bij besluit van 4 februari 2019, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 14 juni 2019 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor een woonvoorziening in de vorm van een aanbouw aan een nieuw betrokken woning afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant is verhuisd naar een niet-adequate woning.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant op 1 november 2018 is verhuisd naar een woning met een trap, terwijl hij zich op 26 april 2018 juist bij het college heeft gemeld wegens ergonomische beperkingen bij het traplopen in zijn vorige woning. De omstandigheid dat appellant in een bed in de woonkamer slaapt en dat hij zich niet zelfstandig kan douchen, omdat hij op eigen kracht geen gebruik kan maken van de trap naar de bovenverdieping waar zich de slaapkamers en de natte cel bevinden, maakt dat hij de woning niet overeenkomstig de essentiële elementaire woonfuncties kan bewonen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de woning voor appellant, gezien zijn beperkingen, dan ook ongeschikt is. Door de woning te betrekken heeft appellant niet ingespeeld op zijn aanwezige beperkingen. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is op basis van de weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college de woonvoorziening op goede gronden heeft afgewezen. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank voor het oordeel dat appellant, gelet op zijn beperkingen, niet is verhuisd naar een op dat moment beschikbare geschikte woning en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen tot het zijne. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.</para>
    <para />
    <para>5. De hier te beoordelen periode loopt van 15 januari 2019 tot en met 14 juni 2019. Het college heeft dan ook met juistheid artikel 3.2.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Verordening aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. De beroepsgrond van appellant dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat het college hem in 2018 op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Arnhem een verhuiskostenvergoeding had verstrekt slaagt niet nu ook aan deze verstrekking de voorwaarde was verbonden van een verhuizing naar een geschikte woning. Ook anderszins is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot het verstrekken van een woonvoorziening.</para>
    <para />
    <para>6. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspaak wordt bevestigd.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier				Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) D. Al-Zubaidi		(getekend) J.P.A. Boersma</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>