<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:2755</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-09T09:13:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/2064 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2755">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2755</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-11-08T15:21:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:2755 Centrale Raad van Beroep , 04-11-2021 / 20/2064 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:2755:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant verworpen op basis van overwegingen die de Raad onderschrijft. Dat langdurig is geprocedeerd over de WAO-uitkering waarop appellant recht had en dat dit onzekerheid met zich bracht, betekent niet dat appellant in weerwil van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen alsnog over 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 verzekerd is te achten voor de AOW. In dit verband is van doorslaggevende betekenis dat niet is gebleken dat over de periode 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 premies voor de volksverzekeringen zijn ingehouden en afgedragen ten behoeve van appellant. Dat appellant achteraf nog premie zou willen afdragen, maakt het niet anders. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:2755:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>2064 AOW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 4 november 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2020, 19/2526 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] , Spanje (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van (video)bellen op </para>
      <para>2 september 2021. Namens appellant is het woord gevoerd door zijn dochter, <?linebreak?>[naam dochter] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door <?linebreak?>mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant, die is geboren op [geboortedatum] 1952, is in 1977 naar Spanje geremigreerd met behoud van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is sinds 1 augustus 1991 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanaf 18 december 2017 komt appellant niet meer in aanmerking voor een WAO-uitkering, omdat hij op die datum de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluiten van 24 mei 2018 en 18 juli 2018 heeft de Svb aan appellant vanaf december 2017 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft de Svb een korting van 72% op het ouderdomspensioen van appellant toegepast. Bij beslissing op bezwaar van 29 maart 2019 (bestreden besluit) is de korting op het ouderdomspensioen van appellant verlaagd tot 56%. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW over 18 december 1967 tot en met 2 juli 1974 en over 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant, evenals in beroep, in twijfel getrokken dat het juist is dat de Svb hem van 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 niet verzekerd acht voor de AOW. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant verworpen op basis van overwegingen die de Raad onderschrijft. Dat langdurig is geprocedeerd over de WAO-uitkering waarop appellant recht had en dat dit onzekerheid met zich bracht, betekent niet dat appellant in weerwil van dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen alsnog over 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 verzekerd is te achten voor de AOW. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en ingezetene is van Nederland. Niet in geschil is dat appellant van 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 geen ingezetene was van Nederland en dat hij in Spanje woonde. Gebleken is dat appellant over 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 recht had op een WAO-uitkering, maar deze uitkering was toen te laag om in het buitenland verplicht verzekerd te blijven voor de AOW, terwijl niet is gebleken dat appellant zich tijdig heeft aangemeld voor een vrijwillige verzekering voor de AOW. Appellant heeft niet gerechtvaardigd in de veronderstelling kunnen verkeren dat hij over (een gedeelte van) de periode 1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 verzekerd was voor de AOW. <?linebreak?>In dit verband is van doorslaggevende betekenis dat niet is gebleken dat over de periode <?linebreak?>1 maart 1996 tot en met 17 december 2017 premies voor de volksverzekeringen zijn ingehouden en afgedragen ten behoeve van appellant. Dat appellant achteraf nog premie zou willen afdragen, maakt het niet anders. Het doet immers niets af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Wel kan appellant zich desgewenst tot de Svb wenden met een verzoek tot vrijwillige verzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Punt 4.1 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) M. Wolfrat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) R. van Doorn</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RESOLUCIÓN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>El Centrale Raad van Beroep confirma la sentencia apelada.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>La presente sentencia fue dictada por M. Wolfrat, en presencia de R. van Doorn, en su calidad de secretario. Esta resolución se pronunció en público el 4 de noviembre de 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Las partes podrán interponer de casación contra esta resolución ante el Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) por infracción de las normas relativas al concepto del régimen de seguros sociales o por la aplicación indebida de éstas dentro del plazo de seis semanas desde la fecha de envío.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>