<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:2552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-25T15:29:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/4771 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2552">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2552</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-16T16:45:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:2552 Centrale Raad van Beroep , 28-09-2021 / 19/4771 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:2552:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Intrekking van Bijstand. Geen hoofdverblijf op uitkeringsadres.</para>
        <para>Het is niet aannemelijk is dat appellante en haar drie kleine kinderen ten tijde van het huisbezoek hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. Alleen al de bevindingen over wat er niet op het uitkeringsadres is aangetroffen, in samenhang bezien met de verklaringen van appellante, bieden een voldoende feitelijke grondslag voor die conclusie.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:2552:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>4771 PW </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2019, 19/3980 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 28 september 2021</para>
      <para>Zitting heeft: A.M. Overbeeke, lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: J.E. Mink</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting is appellante verschenen, bijgestaan door mr. F. Ayar, advocaat. Als tolk is verschenen A. Manuelyan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H.J. ten Hoope.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante ontving vanaf 25 december 2018 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 18 mei 2010 in de basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 februari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 juli 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van </para>
      <para>29 januari 2019 ingetrokken. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat uit de onderzoeksresultaten, in het bijzonder het huisbezoek op 29 januari 2019, blijkt dat appellante vanaf 29 januari 2019 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Door hier geen melding van te maken heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het niet aannemelijk is dat appellante en haar drie kleine kinderen ten tijde van het huisbezoek hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. Alleen al de bevindingen over wat er niet op het uitkeringsadres is aangetroffen, in samenhang bezien met de verklaringen van appellante, bieden een voldoende feitelijke grondslag voor die conclusie. De hele woning was erg koud, er was totaal geen speelgoed aangetroffen, er was geen of nauwelijks vuile was, er was geen wasrek of wasmand, er waren maar twee handdoeken, er waren nauwelijks etenswaren en appellante kon geen administratie tonen. De stelling van appellante dat op het moment van het huisbezoek haar verhuizing nog niet was afgerond, heeft zij niet aannemelijk gemaakt, temeer niet omdat zij ter zitting heeft verklaard sinds november/december 2018 met haar kinderen op het uitkeringsadres te wonen. Het betoog dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat het college een tweede huisbezoek af had moeten leggen slaagt niet. Appellante heeft geen wijziging in haar woonsituatie doorgegeven, waarmee zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden zodat het college gehouden was de bijstand van appellante in te trekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellante in het kader van een latere aanvraag heeft erkend dat zij, zo blijkt uit een gespreksverslag van 17 oktober 2019, ten tijde van de intrekking – noodgedwongen – nog inwoonde bij haar ex-man.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J.E. Mink	(getekend) A.M. Overbeeke</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>