<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:2207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-13T12:59:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/5289 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2207">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-09-05T14:38:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-09-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:2207 Centrale Raad van Beroep , 17-08-2021 / 19/5289 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:2207:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De aanvraag om bijstand voor een alleenstaande is terecht afgewezen omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met X. </para>
        <para>Aan de voorwaarde van wederzijdse zorg is voldaan. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en X hebben geleid, hun motieven en de aard van hun onderlinge relatie, zijn bij de beoordeling van de wederzijdse zorg niet van belang.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:2207:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>5289 PW-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2019, 19/1949 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 17 augustus 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: A.M. Overbeeke als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: W.E.M. Maas</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E.T. van Dalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.M. Hendriks. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende</para>
      <para>overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het college heeft de aanvraag om bijstand bij besluit van 22 oktober 2018, na bezwaar </para>
    <parablock>
      <para>gehandhaafd bij besluit van 3 april 2019 (bestreden besluit), afgewezen omdat appellante een </para>
      <para>gezamenlijke huishouding voert met X.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In geschil is alleen of sprake was van wederzijdse zorg. Wederzijdse zorg kan blijken uit </para>
        <para>een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen </para>
        <para>van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Ook andere feiten en omstandigheden </para>
        <para>kunnen voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Uit de stukken blijkt dat appellante heeft verklaard dat zij zorg verleent aan X die in een rolstoel zit, dat ze X verzorgt, hem helpt met zijn administratie, de boodschappen doet, huishoudelijke dingen doet zoals schoonmaken, de bankrekening van X beheert en zijn pinpas gebruikt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Uit de verklaringen van appellante blijkt verder dat X haar heeft opgevangen en aan haar onderdak biedt, dat appellante door X wordt onderhouden en dat hij daarvoor geen vergoeding vraagt. Hij betaalt het eten en drinken en zij woont gratis bij hem. Appellante heeft op de zitting bevestigd dat X ook haar ziektekostenverzekering en telefoonkosten betaalt. Anders dan appellante heeft betoogd, is niet gebleken dat er zakelijke afspraken over de huur zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Appellante heeft aangevoerd dat zij noodgedwongen bij X is gaan wonen. Maar de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en X hebben geleid, hun motieven en de aard van hun onderlinge relatie, zijn bij de beoordeling van de wederzijdse zorg niet van belang. </para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan de voorwaarde van wederzijdse zorg is </para>
      <parablock>
        <para>voldaan. Het college heeft daarom de aanvraag van appellante om bijstand voor een </para>
        <para>alleenstaande terecht afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat </para>
      <para>geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier is verhinderd te ondertekenen.	(getekend) A.M. Overbeeke</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>