<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:2120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-30T12:14:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-08-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/2942 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2019:4210" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4210, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2120">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:2120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-08-25T13:46:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:2120 Centrale Raad van Beroep , 17-08-2021 / 19/2942 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:2120:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekken en terugvorderen. Niet gemelde transacties met voertuigen. Boete. Vaststaat dat op naam van appellant vijf kentekens gedurende betrekkelijk korte tijd geregistreerd hebben gestaan en dat de tenaamstellingen in de te beoordelen maanden zijn geëindigd. Hieruit volgt dat appellant betrokken is geweest bij transacties met deze voertuigen. Dat de auto’s naar de sloop zijn gebracht betekent niet dat daarmee geen inkomsten konden worden verkregen. Appellant heeft de inlichtingenverplichting geschonden. Er is geen aanleiding de boete verder te matigen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:2120:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">19 2942 PW, 20/4415 PW</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 17 augustus 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 mei 2019, 18/5697 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. L.A.M. van der Geld, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft op 14 december 2020 een nieuw besluit genomen (nader besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 19/2943 PW plaatsgevonden op 6 juli 2021. Namens appellant heeft mr. Van der Geld via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz. In de zaak 19/2943 PW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant ontving sinds 7 maart 2017 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Naar aanleiding van een aantal signalen van de Dienst Wegverkeer (RDW) dat appellant in het bezit is (geweest) van een aantal auto’s heeft een medewerker van de afdeling Sociale Zaken IJsselgemeenten een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker onder meer dossieronderzoek gedaan en appellant tweemaal uitgenodigd voor een gesprek. Appellant is beide keren niet verschenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 mei 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 8 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 september 2018, de bijstand te herzien (lees: in te trekken) over de maanden juni, juli, oktober en november 2017 en januari 2018 en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.692,31 van appellant terug te vorderen. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van transacties met voertuigen in de hiervoor vermelde maanden. Aangezien appellant geen concrete en controleerbare gegevens heeft overgelegd van deze transacties, is het recht op bijstand over die maanden niet vast te stellen. Bij uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1489, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 september 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij besluit van 5 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellant een boete opgelegd van € 1.195,80. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, omdat hij niet onverwijld en uit eigen beweging aan het college heeft doorgegeven dat hij de vijf auto’s die hij in de bijstandsperiode in bezit had in de maanden juni, juli, oktober en november 2017 en januari 2018 (te beoordelen maanden) van zijn naam heeft gehaald. Ook heeft appellant geen, dan wel onvoldoende, concrete en verifieerbare gegevens aangeleverd van transacties over deze voertuigen. Het college is bij het bepalen van de hoogte van de boete uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft rekening gehouden met de draagkracht van appellant door de boete vast te stellen op twaalfmaal 10% van € 996,58 netto, zijnde de ten tijde van de besluitvorming voor appellant geldende bijstandsnorm.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
      <para />
      <para>4. Bij het nader besluit heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, de boete verlaagd en met inachtneming van een beslagvrije voet van 95% nader vastgesteld op € 635,42.</para>
      <para />
      <para>5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het college heeft met het nader besluit de hoogte van de boete gewijzigd. Alleen al hierom houdt het bestreden besluit geen stand en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd, het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft. Vervolgens moet worden beoordeeld of het nader besluit in rechte stand kan houden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Het ging namelijk om vijf oude auto’s die geen enkele waarde vertegenwoordigen en na gebruik zijn afgevoerd naar de sloop. Bovendien heeft appellant het college al in een eerder stadium op de hoogte gesteld van de (transacties met de) auto’s. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Een belanghebbende moet direct en uit eigen beweging alles melden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Gelet op de volgende overwegingen heeft appellant dit nagelaten. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.4.1.</nr>
        <para>Vaststaat dat appellant vijf kentekens gedurende betrekkelijk korte periode op zijn naam geregistreerd heeft gehad en dat de tenaamstellingen in de te beoordelen maanden zijn geëindigd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.2.</nr>
        <para>Zoals de Raad eerder heeft overwogen, volgt uit kentekenregistraties zoals hier aan de orde de directe betrokkenheid van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s, dan is aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_18eb5a4a-e66c-4b60-9f5e-03e8a11755dd" /> De datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, wordt hierbij als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_ad7368b0-f84c-4793-abc9-1e80c62d036d" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.3.</nr>
        <para>Uit 5.4.1 volgt dat appellant herhaaldelijk direct betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde motorvoertuig binnen een betrekkelijk korte periode ten aanzien van diverse auto’s. Daarmee is aannemelijk dat appellant betrokken is geweest bij handelstransacties ten aanzien van die auto’s. De door appellant gestelde omstandigheid dat het ging om oude auto’s die geen waarde hadden en na gebruik naar de sloop gingen, betekent niet dat met de desbetreffende transacties geen inkomsten konden worden verworven.<footnote-ref linkend="_752d7000-6bf0-480e-a438-9d9f7f363718" /> Ook die transacties had appellant dus moeten melden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.4.</nr>
        <para>Appellant had melding moeten maken van de wijzigingen in de tenaamstellingen van de vijf auto’s, aangezien deze gegevens, gelet op 5.4.2 en 5.4.3., onmiskenbaar van belang konden zijn voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening. Appellant heeft dit niet gedaan. Daarmee heeft hij het college de mogelijkheid onthouden om direct een op deze aspecten toegespitst nader onderzoek in te stellen om de rechtmatigheid van de bijstand van appellant te kunnen beoordelen.<footnote-ref linkend="_652ef48a-ffc4-460d-9879-fa7bb5a9f59f" /></para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.4.5.</nr>
        <para>Dat appellant het college al op een eerder moment op de hoogte heeft gesteld van de (transacties met de) auto’s heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Zijn stelling dat hij dit heeft besproken met een medewerker is daarvoor onvoldoende. Hij heeft die niet concreet gemaakt en niet onderbouwd en uit intern onderzoek van het college is niet gebleken van een dergelijke melding. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Uit 5.4.1 tot en met 5.4.5 volgt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van transacties met auto’s in de te beoordelen maanden. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De Raad ziet geen aanleiding om, zoals appellant heeft verzocht, de boete verder te matigen dan het college al heeft gedaan. De opgelegde boete van € 635,42 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Gelet op 5.5 zal het beroep tegen het nader besluit ongegrond worden verklaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.496,- in beroep en op € 1.496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.992,-.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2018 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 14 december 2020 ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>€ 2.992,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para> bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 174,- vergoedt. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) W.F. Claessens</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) R.I.S. van Haaren </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_18eb5a4a-e66c-4b60-9f5e-03e8a11755dd" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van 13 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2437.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad7368b0-f84c-4793-abc9-1e80c62d036d" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_752d7000-6bf0-480e-a438-9d9f7f363718" label="3">
    <para> Vergelijk de uitspraak van 22 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3399. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_652ef48a-ffc4-460d-9879-fa7bb5a9f59f" label="4">
    <para> Vergelijk de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:940.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>