<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-12T16:03:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/5361 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1656">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1656</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T09:04:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:1656 Centrale Raad van Beroep , 06-07-2021 / 19/5361 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:1656:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen bijzondere bijstand voor de kosten van tandheelkundige zorg en een koelkast. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank. Voor de kosten van medische zorg is de Zvw een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening. Vergoeding van de kosten voor tandheelkundige zorg op grond van het gemeentelijk beleid is niet mogelijk. De kosten van de koelkast waren ten tijde van de aanvraag al voldaan, zodat op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor deze kosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:1656:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">19 5361 PW </bridgehead>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 6 juli 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 november 2019, 19/646 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. R.G.P. Voragen, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Konen, die door middel van videobellen aan de zitting heeft deelgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant heeft op 7 juni 2018 bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van tandheelkundige zorg en de kosten van een koelkast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 8 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Het college heeft aan bestreden besluit ten grondslag dat geen bijzondere bijstand wordt verleend voor de kosten van tandheelkundige zorg omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een aan de Participatiewet (PW) voorliggende, passende en toereikende voorziening moet worden beschouwd. Wat betreft de kosten van de koelkast heeft het college overwogen dat hiervoor geen bijzondere bijstand kan worden verleend, omdat de kosten op het moment van de aanvraag al door appellant waren voldaan. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de Zvw voor de kosten van medische zorg als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening moet worden beschouwd. Verder heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat vergoeding van de kosten voor tandheelkundige zorg op grond van gemeentelijk beleid evenmin mogelijk is. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Beleidsregel individuele bijzondere bijstand Heerlen 2018 moet bij medische kosten worden uitgegaan van de vergoeding die op grond van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering mogelijk is en kan, als de gemeentelijke collectieve zorgverzekering bepaalde medische kosten niet (geheel) dekt, bijzondere bijstand worden toegekend als sprake is van een medische noodzaak en bijzondere (medische) omstandigheden. Uit het vergoedingenoverzicht van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering is gebleken dat appellant de kosten voor tandheelkundige zorg volledig vergoed had kunnen krijgen, indien hij had deelgenomen aan de gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Dat appellant vanwege een betalingsachterstand geen gebruik heeft kunnen maken van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering komt voor zijn risico en maakt dus niet dat er geen sprake is van een passende, voorliggende voorziening. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat sprake was van een medische noodzaak of bijzondere (medische) omstandigheden, nu uit de factuur die bij de aanvraag is gevoegd, blijkt dat de kosten van tandheelkundige zorg betrekking hebben op een periodieke controle, waarbij het gebit van appellant is gereinigd. Wat betreft de kosten van de koelkast heeft de rechtbank met het college overwogen dat de kosten ten tijde van de aanvraag al waren voldaan en dat om die reden op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor deze kosten.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat zowel de tandartskosten als de kosten voor een koelkast onvermijdelijk en noodzakelijk waren. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst appellant naar de als bijlage bij de aanvraag overgelegde verklaring van zijn budgetbeheerder van 6 juni 2018. Specifiek over de tandartskosten heeft appellant betoogd dat het college hem niet kan verplichten bij welke zorgverzekering hij verzekerd is en dat hij aanvullend verzekerd is. Daarbij komt dat appellant een betalingsachterstand had, waardoor hij niet kon wisselen van zorgverzekering.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) K.M.P. Jacobs</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) B.H.B. Verheul</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>