<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:1389</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-21T17:28:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/153 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1389">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1389</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-13T11:32:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:1389 Centrale Raad van Beroep , 08-06-2021 / 20/153 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:1389:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kostendelersnorm. Geen zelfstandige woning. De Svb heeft het verzoek om herziening van de AIO-aanvulling terecht afgewezen. Appellante heeft haar hoofdverblijf bij haar dochter, die daarom kostendeler is. De woonruimte van appellante is geen zelfstandige woning. Een woonkamer en een keuken ontbreken namelijk. Het feit dat appellante zorg nodig heeft en dat haar dochter die verleent, betekent niet dat de kostendelersnorm moet worden afgestemd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:1389:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>153 PW-PV</title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 december 2019, 19/4213 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 8 juni 2021</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: J.N.A. Bootsma</para>
      <para>Griffier: Y. Al-Qaq</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Namens appellante is verschenen mr. J.M.M. van Asten. Verder zijn verschenen [naam dochter], dochter van appellante, en de tolk M. Abdullahi. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om herziening van de AIO<footnote-ref linkend="_ed9da253-cfce-41a2-875b-1625c2dd22aa" />-aanvulling terecht is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is aangewezen op langdurige zorg. Zij huurt voor € 400,- per maand een kamer in de woning van haar dochter en kleinkinderen. Haar dochter verzorgt haar en ontvang daarvoor inkomsten uit het PGB<footnote-ref linkend="_90d01e7e-cd47-4fdd-b662-4d7294526275" /> van appellante. De woonruimte van appellante is in de aanbouw bij de woning en heeft een eigen toegang en een eigen badkamer met toilet. Appellante ontvangt een AIO-aanvulling, sinds 1 juli 2015 naar de kostendelersnorm.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 maart 2019 heeft appellante verzocht om aanpassing van de norm met ingang van 6 juli 2015. Volgens de Svb kan dat niet, omdat appellante haar hoofdverblijf heeft bij haar dochter, die daarom kostendeler is. De aanbouw die appellante bewoont kan niet als een zelfstandige woning worden gezien. Volgens appellante is dat wel zo. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Net als de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de woonruimte van appellante geen zelfstandige woning is. Een woonkamer en een keuken ontbreken namelijk. Dit zijn wezenlijke functies die een zelfstandige woning moet hebben. Ook als de bewoner zelf geen gebruik kan maken van de keuken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens appellante had de Svb de kostendelersnorm toch niet moeten toepassen, maar moeten afstemmen op haar omstandigheden, mogelijkheden en middelen.<footnote-ref linkend="_b5e2fc73-8942-408f-99a3-6aad4adf0660" /> Maar het feit dat appellante zorg nodig heeft en dat haar dochter die verleent, betekent niet dat de kostendelersnorm moet worden aangepast. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte.<footnote-ref linkend="_ff9a442b-923e-4c68-86a7-fa78b4693ba2" /> Appellante heeft de extra zorgkosten die zij heeft niet inzichtelijk gemaakt en ook niet hoe die zich verhouden tot haar PGB. Zij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de Svb ten onrechte niet heeft afgestemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger geroep slaagt niet.</para>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) Y. Al-Qaq	(getekend) J.N.A. Bootsma</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ed9da253-cfce-41a2-875b-1625c2dd22aa" label="1">
    <para>Aanvullende inkomensvoorziening ouderen</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90d01e7e-cd47-4fdd-b662-4d7294526275" label="2">
    <para>Persoonsgebonden budget</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b5e2fc73-8942-408f-99a3-6aad4adf0660" label="3">
    <para> Artikel 47c, eerste lid, van de Participatiewet</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff9a442b-923e-4c68-86a7-fa78b4693ba2" label="4">
    <para>Zie bijvoorbeeld overweging 4.7 van de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2159</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>