<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2021:1141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-20T09:27:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">20/3468 WUV-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1141">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2021:1141</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-05-19T11:04:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-05-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2021:1141 Centrale Raad van Beroep , 06-05-2021 / 20/3468 WUV-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2021:1141:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WUV. De Raad moet vaststellen dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald wat hij al eerder ter ondersteuning van zijn eerdere verzoeken had aangevoerd. Uit de gedingstukken komt niet naar voren dat de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft doorgebracht zich duidelijk ongunstig hebben onderscheiden van die van andere kinderen uit een gemengd huwelijk, zodat terecht geen aanleiding is gezien te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld. Wubo. Gelet op wat in het kader van de Wuv is overwogen brengt mee dat ook voor de toepassing van de Wubo niet kan worden gesproken van een onderduiksituatie. Van andere wel onder de Wubo te brengen oorlogsgebeurtenissen heeft appellant geen melding gemaakt. De bestreden besluiten houden in rechte stand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2021:1141:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>20/3468 WUV-PV, 20/3470 WUBO-PV</para>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 6 mei 2021</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Griffier: R. van Doorn</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam] <emphasis role="italic">.</emphasis> Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>BESLISSING</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellant is in 1941 geboren uit een zogenoemd gemengd huwelijk waarbij de moeder de Joodse partner was.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 5 juni 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellant van november 2007 om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) omdat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat hij op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing vrijheidsberoving heeft ondergaan. Verder is niet gebleken van tegen appellant gerichte vervolgingsmaatregelen door de Duitse bezettende macht. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In augustus 2016 heeft appellant verzocht de eerder genoemde afwijzing te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 19 september 2016 op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens naar voren heeft gebracht die tot een ander beslissing zouden kunnen leiden. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>In mei 2019 heeft appellant verzocht om toekenningen op grond van de Wuv dan wel de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft de Wuv-aanvraag afgewezen bij besluit van 3 oktober 2019, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 september 2020 (bestreden besluit 1), op de grond dat appellant geen relevante nieuwe gegevens of feiten heeft vermeld die aanleiding geven de eerdere afwijzingen te herzien. Verweerder heeft overwogen dat ook nu niet is gebleken dat sprake is geweest van een onderduiksituatie of van een andere (tegen appellant gerichte) vervolgingsmaatregelen in de zin van de Wuv. Verder is overwogen dat de oorlogsomstandigheden van appellant geen aanleiding geven te onderzoeken of hij met de vervolgde gelijk kan worden gesteld. De Wubo-aanvraag is afgewezen bij besluit van 3 oktober 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2020 (bestreden besluit 2), op de grond dat onvoldoende is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wubo.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>WUV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad moet vaststellen dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald wat hij al eerder ter ondersteuning van zijn eerdere verzoeken had aangevoerd. De vervolgingsmaatregelen van de Duitse bezetter waren in beginsel niet gericht tegen kinderen uit een gemengd huwelijk. Ook in het geval van appellant is niet gebleken dat hij dergelijke maatregelen heeft ondervonden of dat er sprake is geweest van een onderduiksituatie in de zin van de Wuv, waaronder wordt verstaan een systematische en effectieve onttrekking aan het openbare leven of de buitenwereld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY7726). Het gestelde verblijf in Hilversum van appellant en zijn oudere broer lijkt meer te zijn ingegeven door het ontbreken van verzorging vanwege het verblijf van hun moeder in Westerbork. Dat het verblijf in Hilversum zou zijn ingegeven door een maatregel van de bezetter is niet aannemelijk gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken komt niet naar voren dat de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft doorgebracht zich duidelijk ongunstig hebben onderscheiden van die van andere kinderen uit een gemengd huwelijk, zodat terecht geen aanleiding is gezien te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Wubo</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op wat in het kader van de Wuv is overwogen brengt mee dat ook voor de toepassing van de Wubo niet kan worden gesproken van een onderduiksituatie. Van andere wel onder de Wubo te brengen oorlogsgebeurtenissen heeft appellant geen melding gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bestreden besluiten houden in rechte stand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) R. van Doorn	(getekend) C.H. Bangma</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor eensluidend afschrift</para>
      <para>de griffier van de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>