<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-25T18:49:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-04-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17-3180 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:907">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:907</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-09T16:07:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:907 Centrale Raad van Beroep , 09-04-2020 / 17-3180 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:907:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De vaststelling van de belastbare winst uit onderneming die bij de berekening van de AOW-toeslag in aanmerking moet worden genomen, moet niet plaatsvinden aan de hand van de Duitse fiscale wetgeving, maar aan de hand van afdeling 3.2.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). In artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Inkomensbesluit wordt voor de berekening van de belastbare winst uit onderneming slechts verwezen naar enkele paragrafen en artikelen uit afdeling 3.2 van de Wet IB en niet naar de bepalingen betreffende de verliesverrekening van afdeling 3.13. De Svb heeft daarom terecht geen rekening gehouden met de in Duitsland in aanmerking genomen Verlustvortrag. Terecht is ook geen rekening gehouden met de door appellant opgevoerde Beschränkt abziehbare Sonderausgaben, de Unbeschränkt abziehbare Sonderausgaben en de Ausbildungskosten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:907:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>/<nr>17</nr>3180 AOW </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 april 2017, 16/7458 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] , Duitsland (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 april 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een aantal malen nadere stukken ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Appellant ontvangt een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met een toeslag voor zijn echtgenote. Bij besluiten van 13 mei 2016, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 8 november 2016, heeft de Svb de toeslag over het jaar 2014 op nihil gesteld en de over dat jaar aan appellant uitbetaalde toeslag ten bedrage van € 7.688,- teruggevorderd. De Svb heeft overwogen dat de echtgenote van appellant als zelfstandig ondernemer over 2014 een in aanmerking te nemen jaarinkomen (<emphasis role="italic">Einkünfte aus Gewerbebetrieb als Einzelunternehmer</emphasis>) van € 16.727,- heeft genoten. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht de <emphasis role="italic">Einkünfte aus Gewerbebetrieb</emphasis> heeft aangemerkt als inkomen voor de toeslag. De rechtbank heeft hiertoe verwezen naar artikel 2:2 van het Algemeen inkomensbesluit socialeverzekeringswetten (Inkomensbesluit) en afdeling 3.2.1 en de artikelen 3.74, 3.78, derde lid, en 3.79a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB), en overwogen dat het Inkomensbesluit niet verwijst naar afdeling 3.13 van Wet IB, die handelt over de verliesrekening.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn echtgenote over 2014 naar Duits fiscaal recht geen winst uit onderneming heeft behaald, zodat er ook geen sprake is van voor de toeslag in aanmerking te nemen inkomen. Er is een klein operationeel resultaat, maar daar staan (fiscaal) te verrekenen verliezen en investeringen uit voorgaande en komende jaren tegenover. In het bijzonder moeten volgens appellant op het resultaat van verkopen minus directe kosten (<emphasis role="italic">Summe der Einkünfte</emphasis>) in mindering worden gebracht de <emphasis role="italic">Verlustvortrag</emphasis> (te verrekenen verlies uit voorgaande jaren), <emphasis role="italic">Beschränkt abziehbare Sonderausgaben</emphasis> (met name premies voor de <emphasis role="italic">Krankenversicherung</emphasis> en de <emphasis role="italic">Pflegeversicherung</emphasis>), <emphasis role="italic">Unbeschränkt abziehbare Sonderausgaben</emphasis> (een fiscale vrijstelling, onafhankelijk van daadwerkelijk gemaakte kosten, die verband houdt met de restauratie van het onder monumentenzorg staande woonhuis van appellant, waar ook het atelier van de echtgenote zich bevindt) en <emphasis role="italic">Ausbildungskoste</emphasis> (een fiscale vrijstelling die verband houdt met het aanbieden van stageplaatsen).</para>
    <para />
    <para>4. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de Svb terecht bij de vaststelling van het op de toeslag in mindering te brengen inkomen geen rekening heeft gehouden met de onder 3 genoemde posten. De Raad oordeelt hierover als volgt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de AOW wordt op de volledige toeslag in mindering gebracht het inkomen van de echtgenoot van de pensioengerechtigde uit arbeid of overig inkomen. In artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Inkomensbesluit is bepaald dat onder inkomen uit arbeid wordt verstaan de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2.1 van de Wet IB, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB‑winstvrijstelling. Belastbare winst uit onderneming is volgens artikel 3.2 van de Wet IB het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen, waarbij wordt verwezen naar afdeling 3.2.2 van de Wet IB, verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Verder is in artikel 4:1, eerste en vijfde lid, van het Inkomensbesluit bepaald dat het inkomen voor de toepassing van de AOW wordt herleid tot een bedrag per kalendermaand en dat daarbij de belastbare winst uit onderneming evenredig wordt toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit 4.1 blijkt dat de vaststelling van de belastbare winst uit onderneming die bij de berekening van de toeslag op het ouderdomspensioen in aanmerking moet worden genomen, niet moet plaatsvinden aan de hand van de Duitse fiscale wetgeving, maar aan de hand van afdeling 3.2.2 van de Wet IB. Bezien moet dus worden of de door appellant opgevoerde posten op grond van afdeling 3.2.2 van de Wet IB van invloed zijn op de belastbare winst uit onderneming van de echtgenote.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de <emphasis role="italic">Verlustvortrag</emphasis> vooral bedrijfsmiddelen betreft die in een aantal (meestal vijf) jaren worden afgeschreven, voor zover die afschrijvingen in eerdere jaren de netto omzet over die jaren te boven gingen. Omdat naar Duits fiscaal recht het bedrijfsresultaat van een <emphasis role="italic">Einzelhandel</emphasis> over een jaar altijd positief moet zijn, worden de investeringen die nog niet zijn afgeschreven, in een later jaar alsnog volgens een bepaalde sleutel als te compenseren bedragen op de winst in mindering gebracht. In de zin van de Wet IB is de <emphasis role="italic">Verlustvortrag</emphasis> het meest vergelijkbaar met ondernemingsverlies in de zin van artikel 3.148 van de Wet IB. Artikel 3:150 van de Wet IB, dat verrekening van verlies uit werk en woning uit een bepaald jaar met inkomen uit werk en woning in andere jaren binnen bepaalde grenzen mogelijk maakt, is echter niet van belang voor de vaststelling van de belastbare winst uit onderneming die op de toeslag in mindering moet worden gebracht. Nu in artikel 2:2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Inkomensbesluit voor de berekening van de belastbare winst uit onderneming slechts wordt verwezen naar enkele paragrafen en artikelen uit afdeling 3.2 van de Wet IB en niet naar de bepalingen betreffende de verliesverrekening van afdeling 3.13, heeft de Svb bij de berekening van de toeslag van appellant terecht geen rekening gehouden met de <emphasis role="italic">Verlustvortrag</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">Beschränkt abziehbare Sonderausgaben</emphasis> kunnen worden vergeleken met bijzondere ziektekosten. Die zijn niet van invloed op de belastbare winst. Wel zijn zij boven een bepaalde drempelwaarde van invloed op het inkomen uit werk en woning, maar dat is voor de berekening van de toeslag niet van belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De <emphasis role="italic">Unbeschränkt abziehbare Sonderausgaben</emphasis> betreffen een specifieke fiscale vrijstelling naar Duits recht in verband met de restauratie van een monumentaal pand, los van de door de belastingplichtige daadwerkelijk gemaakte kosten. Afdeling 3.2.2 van de Wet IB bevat geen vergelijkbare regeling, zodat deze post niet van invloed is op de vaststelling van de belastbare winst. Hetzelfde geldt voor de forfaitaire fiscale vrijstelling voor de opleiding van een stagiaire (<emphasis role="italic">Ausbildungskosten</emphasis>). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit 4.1 tot en met 4.5 blijkt dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal derhalve worden bevestigd.</para>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en M.M. van der Kade en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) C.M. van de Ven</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>