<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-03T14:28:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/2081 MAW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:519">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:519</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-03T10:58:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:519 Centrale Raad van Beroep , 20-02-2020 / 19/2081 MAW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:519:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag op grond van artikel 12g, tweede lid, van de MAW. De Raad stelt vast dat het namens appellant in hoger beroep aangevoerde in essentie een herhaling is van zijn beroepsgronden. De rechtbank heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de aan die uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:519:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>2081 MAW-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 20 februari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2019, 18/5621 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: C.H. Bangma, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: L. Hagendijk</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>mr. L.M. Ju, mr. M. Damen en A.M. van Pelt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De commissie ex artikel 45 van het Algemeen militair ambtenarenreglement heeft op 6 april 2017 advies uitgebracht over het voornemen om appellant op grond van artikel 12g van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW) ontslag te verlenen. De commissie heeft geadviseerd geen uitvoering te geven aan het voorgenomen ontslag van appellant in afwachting van zowel een herplaatsingsonderzoek bij andere krijgsmachtdelen van het Ministerie van Defensie met een duur van ten minste drie maanden als externe arbeidsbemiddeling met een duur van ten minste zes maanden. Tevens heeft de commissie geadviseerd de mogelijkheid van een ontslag met wederzijds goedvinden te onderzoeken door hierover met appellant in overleg te treden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na op 8 november 2017 verkregen toestemming van de minister-president heeft de staatssecretaris bij besluit van 30 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van </para>
      <para>20 juli 2018 (bestreden besluit), appellant met ingang van 1 januari 2018 ontslag verleend op grond van artikel 12g, tweede lid, van de MAW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat het namens appellant in hoger beroep aangevoerde in essentie een herhaling is van zijn beroepsgronden. De rechtbank heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze gronden niet kunnen leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de aan die uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanvulling daarop overweegt de Raad dat de staatssecretaris zich aan de door de commissie geadviseerde externe arbeidsbemiddeling met de duur van ten minste zes maanden heeft gehouden. Verder herplaatsingsonderzoek kon achterwege blijven omdat appellant dit blijkens de e-mail van 2 juni 2017 heeft prijsgegeven. Voorts bevatten de gedingstukken, anders dan appellant heeft betoogd, een e-mailwisseling waaruit blijkt dat ontslag met wederzijds goedvinden is onderzocht en dat de staatssecretaris daartoe een voorstel heeft gedaan. Dit voorstel is door appellant afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier						Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) L. Hagendijk				(getekend) C.H. Bangma</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>