<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-24T09:55:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-2381 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:377">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:377</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-02-20T12:13:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:377 Centrale Raad van Beroep , 20-02-2020 / 18-2381 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:377:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten eigen bijdrage kinderopvang. Draagkracht. Beleid. Geen aanleiding om van beleid af te zien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:377:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>2381 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2018, 17/7390 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 11 februari 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: F. Hoogendijk</para>
      <para>Griffier: T. Ali</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Namens appellante is mr. M. Shaaban, advocaat, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Appellante heeft op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (PW) bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een eigen bijdrage kinderopvang van ongeveer € 98,- . Het college heeft de aanvraag bij besluit van 31 mei 2017, gehandhaafd bij besluit van 18 september 2017 (bestreden besluit), afgewezen op de grond dat appellante deze kosten uit eigen inkomen en/of vermogen moet betalen. </para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij onvoldoende draagkracht heeft om de eigen bijdrage zelf te betalen. </para>
    <para />
    <para>3. De Raad overweeg daarover het volgende. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW, heeft het college beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vaststelling van de draagkracht van een belanghebbende. Het college voert op dat punt een beleid, dat is neergelegd in artikel 5.1.1 van de Leidraad Individuele Bijzondere Bijstand 2017 (Leidraad). In deze bepaling staat – kort en zakelijk weergegeven – dat voor de vaststelling van de hoogte van het inkomen alle inkomsten, inclusief vakantietoeslag, waarover men redelijkerwijs kan beschikken voor 100% worden meegenomen en geen rekening wordt gehouden met een hoge huur of andere lasten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Niet in geschil is dat het maandelijks inkomen van appellante ongeveer € 200,- uitkomt boven de toepasselijke bijstandsnorm. Appellante heeft ter toelichting op haar standpunt dat zij onvoldoende draagkracht heeft aangevoerd dat zij hoge lasten heeft die verband houden met medicijnen en behandelingen van haar chronische ziekte. Zij stelt dat dit bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grond waarvan het college had moeten afwijken van het beleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De omstandigheden zoals door appellante naar voren gebracht zijn niet bijzonder in de zin van artikel 4:84 van de Awb. Uit het beleid volgt immers juist dat is rekening gehouden met de mogelijke situatie waarin een aanvrager een hoge huur en/of andere lasten heeft. Daarom vormen die omstandigheden geen reden waarom het college van het beleid had moeten afwijken. Verder heeft appellante niet met objectieve en verifieerbare gegevens toereikend onderbouwd dat zij door de hoge lasten de eigen bijdrage niet kan betalen. Dat het voor appellante door gezondheidsproblemen niet mogelijk was om zulke gegevens over te leggen, komt – wat daar ook van zij – voor haar rekening en risico. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) T. Ali		(getekend) F. Hoogendijk </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>