<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:2904</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-30T15:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/3182 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2904">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2904</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-24T15:01:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:2904 Centrale Raad van Beroep , 10-11-2020 / 19/3182 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:2904:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag om algemene bijstand terecht afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Verklaring komt niet overeen met wat is aangetroffen tijdens het huisbezoek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit samenhangt met zijn psychische gesteldheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:2904:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>3182 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juni 2019, 19/665 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Datum uitspraak: 10 november 2020 </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Zitting heeft: F. Hoogendijk </para>
        <para>Griffier: D. Bakker </para>
        <para>Namens appellant is verschenen mr. R. Akkaya, advocaat. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Appellant heeft zich op 5 september 2018 gemeld voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet en op 11 september 2018 de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant onder meer vermeld dat hij als alleenstaande voor € 350,- per maand een kamer huurt op een adres te [plaatsnaam] (opgegeven adres). Appellant heeft een huurovereenkomst overgelegd. Op 16 oktober 2018 heeft een spreekkamergesprek plaatsgevonden, waarin appellant onder meer een beschrijving heeft gegeven van de volgens hem gehuurde kamer op het opgegeven adres. In aansluiting daarop heeft op dat adres een huisbezoek plaatsgevonden. </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 17 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Daarmee heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Het is aan appellant, als aanvrager van bijstand, om aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode, die loopt van 5 september 2018 tot en met 17 oktober 2018, zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres, in die zin dat het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven daar lag. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van zijn feitelijke woon- en leefsituatie.</para>
    <para />
    <para>5. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Dat hij bij het spreekkamergesprek geen juiste informatie over de door hem gehuurde woonruimte heeft gegeven is toe te schrijven aan zijn psychische gesteldheid, die blijkt uit het feit dat hij begeleiding vanuit de Wet op de  maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De onderzoeksbevindingen bieden, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. In dit verband is vooral van betekenis dat de bevindingen tijdens het huisbezoek op diverse onderdelen niet overeenkwamen met wat appellant daarover tijdens het spreekkamergesprek had verklaard. Zo bleken – anders dan appellant had verklaard – in de zolderruimte die appellant volgens hem huurde onder meer niet aanwezig: herenkleding in een stoffen kast, sokken en ondergoed, verzorgingsspullen, handdoeken, een telefoonoplader, borden en bestek, broodjes en koekjes, eigen wc-papier, afwas- en wasmiddelen en post van appellant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Appellant heeft zijn stelling dat het feit dat hij tijdens het spreekkamergesprek onjuiste informatie over zijn feitelijke woonsituatie heeft verstrekt samenhangt met zijn psychische gesteldheid niet aannemelijk gemaakt met controleerbare gegevens. De enkele omstandigheid dat hij begeleiding heeft vanuit de Wmo is daartoe niet toereikend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Anders dan appellant heeft aangevoerd leiden het feit dat hij een huurovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot het opgegeven adres en het feit dat hij op dat adres stond ingeschreven in de Basisregistratie personen niet tot een ander oordeel, omdat de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is voor de vaststelling van het hoofdverblijf. </para>
      <para />
      <para>6. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is vast te stellen dat appellant op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had, zodat ook het recht op bijstand niet was vast te stellen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. Gelet op dit oordeel bestaat geen grond om het verzoek om het college te veroordelen tot schadevergoeding toe te wijzen.  </para>
      <para />
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>(getekend) D. Bakker		(getekend) F. Hoogendijk </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>