<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:2774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-18T15:42:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/2494 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2774">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2774</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-11-11T09:11:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:2774 Centrale Raad van Beroep , 10-11-2020 / 19/2494 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:2774:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen recht op een WIA-uitkering. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat voldoende medische gegevens aanwezig waren om vast te stellen dat geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid die vanaf 18 april 2016 gedurende 104 weken onafgebroken heeft voortgeduurd. Vaststaat dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 april 2017 waarbij de ZW-uitkering werd beëindigd zodat dit besluit in rechte vaststaat. Het Uwv was gehouden het onverschuldigd betaalde ziekengeld op grond van artikel 33 van de ZW terug te vorderen. Geen dringende redenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:2774:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">19 2494 WIA, 19/3386 ZW  </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 10 november 2020</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van </para>
      <para>3 juni 2019, 18/6886 (aangevallen uitspraak I) en van 8 juli 2019, 18/7189 (aangevallen uitspraak II)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 29 september 2020. Namens appellante is verschenen mr. Van Heijningen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer	.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verkoopster. Appellante heeft zich op </para>
        <para>18 april 2016 ziek gemeld. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is appellante op het spreekuur geweest bij een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Bij besluit van 4 april 2017 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de ZW-uitkering met ingang van 18 mei 2017 wordt beëindigd omdat zij op 17 april 2017 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Na 18 mei 2017 is het Uwv de ZW-uitkering van appellante blijven doorbetalen. Bij brief van 21 maart 2018 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de ZW-uitkering eindigt en tot en met 15 april 2018 wordt betaald. Op 27 maart 2018 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 17 april 2018 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van </para>
        <para>16 april 2018 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellante niet gedurende de wachttijd van 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering.  	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 14 mei 2018 heeft het Uwv de ten onrechte betaalde ZW-uitkering tot een bedrag van € 13.549,79 bruto van appellante teruggevorderd omdat aan appellante over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 maart 2018 ten onrechte ZW-uitkering is betaald.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 22 oktober 2018 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 april 2018 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij beslissing op bezwaar van 30 november 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 mei 2018 ongegrond verklaard.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat voldoende medische gegevens aanwezig waren om vast te stellen dat geen sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid die vanaf 18 april 2016 gedurende 104 weken onafgebroken heeft voortgeduurd. Dit werd naar het oordeel van de rechtbank niet anders doordat de ZW-uitkering feitelijk is uitbetaald tot 15 april 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 4 april 2017 zodat vaststaat dat appellante per 18 mei 2017 geen recht meer had op een ZW-uitkering zodat het Uwv verplicht was de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen en daarvan alleen kan afzien als sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante niet aangetoond dat de door haar gestelde financiële gevolgen van de terugvordering onaanvaardbaar zijn. De omstandigheid dat zij geen bijstandsuitkering heeft kunnen aanvragen ziet niet op de gevolgen die een terugvordering voor appellante heeft en levert reeds om die reden geen dringende reden op. Daarnaast wordt bij het berekenen van de aflossingsruimte rekening gehouden met de van toepassing zijnde beslagvrije voet. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in het standpunt dat sprake was van opgewekt vertrouwen. Hoewel de oorzaak van de terugvordering is terug te brengen tot een fout bij de uitbetaling door het Uwv, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat het Uwv om die reden moet afzien van terugvordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak I aangevoerd dat zij het besluit van 4 april 2017 niet goed heeft begrepen en dat zij hierover heeft gebeld met het Uwv. Daarbij heeft zij naar haar zeggen vermeld dat zij nog steeds ziek is. Omdat het Uwv de ZW-uitkering bleef doorbetalen en omdat volgens appellante ook uit “Mijn Uwv” volgde dat zij nog recht had op een ZW-uitkering, kon appellante ervan uitgaan dat zij wel arbeidsongeschikt was verklaard. Ook uit de brief van 21 maart 2018 volgde dat de </para>
        <para>ZW-uitkering pas zou eindigen op 15 april 2018. Appellante heeft naar haar mening dus wel de wachttijd van 104 weken doorlopen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak II aangevoerd dat zij in het gesprek dat zij heeft gevoerd met de arbeidsdeskundige, heeft vermeld dat zij nog ziek was en dat zij dat tevens heeft vermeld tijdens het gesprek op 3 mei 2017 met het Uwv. Appellante twijfelde er naar haar zeggen aan of haar arbeidsongeschiktheid definitief was vastgesteld en heeft daarom ook geen bezwaarschrift ingediend. Omdat het Uwv het ziekengeld (gedurende een lange periode) bleef uitbetalen en omdat volgens appellante ook uit “Mijn Uwv” bleek dat zij nog recht had op een ZW-uitkering mocht appellante er naar haar mening op vertrouwen dat zij door het Uwv arbeidsongeschikt was bevonden. Appellante heeft daarnaast aangevoerd dat zij door toedoen van het Uwv ook een bijstandsuitkering is misgelopen.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De gronden waarop de hoger beroepen berusten, zijn in de kern een herhaling van wat appellante in de beroepen heeft aangevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in aangevallen uitspraak I en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daar voegt de Raad aan toe dat uit artikel 23 van de Wet WIA volgt dat voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een </para>
        <para>WIA-uitkering moet blijken dat de verzekerde gedurende 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 18 april 2016 gedurende 104 weken onafgebroken heeft voortgeduurd. Appellante heeft dan ook de wachttijd niet vervuld. Dat appellante meende door het feitelijk doorbetalen van de ZW-uitkering nog arbeidsongeschikt te zijn, kan hier niet aan afdoen. Dat de ZW-uitkering per abuis door het Uwv feitelijk is uitbetaald tot 16 april 2018 kan hierbij geen rol spelen. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Met betrekking tot de terugvordering wordt het volgende opgemerkt. Vaststaat dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 4 april 2017 waarbij de </para>
        <para>ZW-uitkering werd beëindigd zodat dit besluit in rechte vaststaat. Het Uwv was gelet op het in rechte vaststaande besluit van 4 april 2017 gehouden het onverschuldigd betaalde ziekengeld op grond van artikel 33 van de ZW terug te vorderen tenzij sprake is van dringende redenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van de onverschuldigde betaling, alsmede schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kunnen naar vaste jurisprudentie van de Raad geen rol spelen bij het aannemen van een dringende reden (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 26 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF4292, en de uitspraak van de Raad van 9 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1107). Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel kan dan ook reeds hierom niet slagen. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet bij dringende redenen gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De enkele stelling dat appellante naar haar zeggen door toedoen van het Uwv geen bijstand op grond van de Participatiewet heeft aangevraagd, kan niet worden aangemerkt als een dringende reden als in vorenbedoelde zin. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) T. Dompeling</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M. Graveland</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>