<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:2580</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-27T13:37:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/439 WIA-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2580">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2580</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-27T08:56:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:2580 Centrale Raad van Beroep , 15-10-2020 / 19/439 WIA-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:2580:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Loongerelateerde WIA-uitkering terecht toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 59,83%. Voldoende medische grondslag. Toereikend en inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:2580:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>439 WIA-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 15 oktober 2020</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2018, 18/2866 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: M. Schoneveld</para>
      <para>Griffier: H. Huisman </para>
      <para>Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Het Uwv heeft, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 7 december 2017, gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2018 (bestreden besluit), aan appellant met ingang van 7 december 2017 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 59,83%.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gelet op de psychische problematiek van appellant verdergaande beperkingen aangenomen dan de primaire verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat de argumenten van appellant niet tot aanvullende beperkingen leiden omdat met de klachten van appellant in voldoende mate rekening is gehouden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 juni 2018. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat die beperkingen niet juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft het verzoek om een deskundige in te schakelen afgewezen, omdat de rechtbank geen aanknopingspunten heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en appellant zelf geen nadere informatie heeft overgelegd van Altrecht waar hij voor zijn stemmingsstoornis in behandeling is. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn bij de belastbaarheid van appellant. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er al jaren geen verbetering in zijn functioneren plaatsvindt. Appellant heeft geen normaal dag- en nachtritme en hij is wantrouwig, vergeetachtig, moe en depressief. Ook vertoont appellant psychotische kenmerken. Vanwege wachtlijstproblematiek hebben er tot nu toe geen adequate behandelingen plaatsgevonden. Inmiddels heeft appellant te horen gekregen dat zijn vermoeidheid en overige klachten verklaard kunnen worden uit het feit dat bij hem sarcoïdose is geconstateerd. Gezien de klachtenpresentatie speelde dit al ten tijde van datum in geding. De ernstige psychiatrische klachten in samenhang met sarcoïdose staan arbeidsinschakeling in de weg. Subsidiair heeft appellant de Raad verzocht om een psychiater als onafhankelijke deskundige te benoemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De gronden van appellant richten zich op de medische grondslag van het bestreden besluit en behelzen in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van appellant. De onder 2. weergegeven overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de aanwezige medische informatie die betrekking heeft op de psychische klachten van appellant betrokken in zijn beoordeling en uitvoerig besproken in zijn rapport van 25 juni 2018. Die informatie heeft er ook toe geleid dat er verdergaande beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken 1, 2 en 6 van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de criteria volgens het Schattingsbesluit voor Geen benutbare mogelijkheden. Appellant heeft in beroep, noch in hoger beroep, medische informatie ingebracht die aanleiding geeft tot twijfel aan de omvang van de vastgestelde psychische belastbaarheid op de datum in geding, te weten 7 december 2017. De stelling van appellant dat bij hem sarcoïdose is vastgesteld en dat zijn vermoeidheid en overige klachten daardoor worden verklaard, heeft hij niet met medische informatie onderbouwd. Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. </para>
      <para />
      <para>5. Het hoger beroep slaagt niet.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier 				Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>H.S. Huisman				M. Schoneveld</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>