<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:2516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-26T13:06:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/4181 PW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2516">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:2516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-21T09:16:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:2516 Centrale Raad van Beroep , 29-09-2020 / 18/4181 PW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:2516:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen herhaalde aanvraag bijzondere bijstand kosten zorghotel. Nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb niet aannemelijk gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:2516:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>4181 PW-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 29 september 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 juli 2018, 18/166 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: M. ter Brugge</para>
      <para>Griffier: Y. Al-Qaq</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor appellant is verschenen, mr. A.A. Namaki, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.A. van Wingerden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 augustus 2017 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de eigen bijdrage van de verblijfskosten in een zorghotel tot een bedrag van € 700,-. Het college heeft de aanvraag, voor zover hier van belang, afgewezen bij besluit van 2 november 2017, gehandhaafd na bezwaar bij een ongedateerd besluit van januari 2018 (bestreden besluit). Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat appellant voor dezelfde kosten op 17 maart 2015 al een aanvraag om bijzondere bijstand heeft gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 14 april 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 26 juni 2015, afgewezen op de grond dat appellant voor de kosten een beroep kon doen op een voorliggende voorziening en voorts dat het gemeentelijk beleid in het geval van appellant niet in vergoeding voorziet. Het enkele feit dat appellant niet over de middelen beschikt om de eigen bijdrage zelf te voldoen betekent niet dat het college bijzondere bijstand moet verlenen. De rechtbank Gelderland heeft het beroep tegen het besluit van 26 juni 2015 bij uitspraak van 5 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3618, ongegrond verklaard. De Raad heeft het hoger beroep tegen deze uitspraak bij uitspraak van 20 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2170 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het verschuldigde griffierecht niet tijdig had betaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in rechte vaststaande afwijzing van het verzoek van 17 maart 2015 heeft het college de aanvraag van 14 augustus 2017 met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. De door appellant naar voren gebrachte financiële problemen, die zijn verslechterd doordat hij € 700,- voor de betaling van de eigen bijdrage heeft geleend en deze lening weer moet terugbetalen, betreffen volgens het college geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe moeten leiden dat wordt teruggekomen van de eerdere afwijzing van het verzoek van appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard met de overweging dat de gestelde niet nader onderbouwde, acute en zeer grote financiële problemen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden betreffen in de zin van artikel 4:6 van de Awb. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met de betaling van de eigen bijdrage, zonder daarvoor voldoende draagkracht te hebben, voldoende heeft onderbouwd dat hij in de gestelde financiële problemen is gekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan appellant betoogt heeft hij zijn financiële problemen niet inzichtelijk gemaakt. Bovendien leidt de gestelde problematische financiële situatie van appellant er op zichzelf niet toe dat het college terug zou moeten komen van het eerdere afwijzende besluit. Het college mocht het verzoek van appellant van 14 augustus 2017 dan ook afwijzen met verwijzing naar het besluit van 14 april 2015 (vergelijk de uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier 				Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) Y. Al-Qaq			(getekend) M. ter Brugge </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>