<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:1769</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-07T15:14:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-08-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/4612 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:1769">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:1769</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-08-07T11:46:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:1769 Centrale Raad van Beroep , 06-08-2020 / 19/4612 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:1769:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Raad acht het bestreden besluit op grond van de medische advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Niet is gebleken dat de causaal aanvaarde psychische klachten van appellant een verhuizing naar het verzorgingshuis noodzakelijk hebben gemaakt. In navolging van het nadere advies van Roelofs moet worden geconcludeerd dat de overgelegde rapporten van B. Maoz, psychiater, en R. Mitelpunkt, psychiater, geen ander licht werpen op de medische situatie van appellant ten tijde hier van belang. Het bestreden besluit kan in rechte stand  houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:1769:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>4612 WUV </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 6 augustus 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (Israël) (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 2019, kenmerk BZ011297179 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2020. Appellant heeft via een telefonische beeldverbinding aan de behandeling deelgenomen, bijgestaan door mr. Lamphen die ter zitting is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>A.L. van de Wiel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant, geboren in 1940, is erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de ondergane vervolging. Aan appellant zijn op grond van de Wuv verschillende voorzieningen toegekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Appellant heeft in september 2018 verzocht om een vergoeding van de kosten van inkoop en verzorging in een verzorgingshuis en de voor de verhuizing naar dit verzorgingshuis te maken verhuis- en (her)inrichtingskosten. In maart 2019 is appellant samen met zijn echtgenote verhuisd naar het verzorgingshuis [naam] te [woonplaats]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 2 april 2019, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet kan worden gesproken van een medische noodzaak voor opname en verblijf in een verzorgingshuis op grond van de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten.</para>
        <para>2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het standpunt van verweerder dat een medische noodzaak ontbreekt voor de gevraagde voorzieningen berust in eerste instantie op het advies van de arts R.J. Roelofs. Dit advies is gebaseerd op het verslag van het persoonlijk onderhoud dat de arts Y. Engelberg op                  5 februari 2019 met appellant heeft gehad. Daarbij is ook betrokken de van de huisarts verkregen informatie. Het bezwaar is voorgelegd aan de geneeskundig adviseur <?linebreak?>A.M. Ohlenschlager. Zij heeft op basis van het bezwaarschrift en na heroverweging van de aanwezige gegevens het advies van Roelofs onderschreven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De Raad acht het bestreden besluit op grond van de medische advisering deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Niet is gebleken dat de causaal aanvaarde psychische klachten van appellant een verhuizing naar het verzorgingshuis noodzakelijk hebben gemaakt. Uit het rapport van Engelberg komt naar voren dat naast de causale psychische klachten er vooral sprake is van een aanzienlijke slaapstoornis, dat hij vanwege zijn slaapstoornis altijd moe is en om die reden naar een “ouderhuis” wil verhuizen. Desondanks laat het rapport zien dat appellant ten tijde van het onderzoek zowel binnen- als buitenshuis goed blijft functioneren in zijn manier van leven en veel activiteiten heeft. In navolging van het nadere advies van Roelofs moet worden geconcludeerd dat de overgelegde rapporten van B. Maoz, psychiater, en R. Mitelpunkt, psychiater, geen ander licht werpen op de medische situatie van appellant ten tijde hier van belang. Zo dateert het rapport van Maoz van augustus 2008. Het rapport van Mitelpunkt is gebaseerd op een onderzoek dat ruimschoots ná de verhuizing heeft plaatsgevonden en waarbij dus achteraf is geconcludeerd over de verhuizing. Een beschrijving van de medische situatie van appellant van vóór de verhuizing heeft hij dan ook niet kunnen geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. </para>
        <para>3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.    </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) C.H. Bangma</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M. Stumpel</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>