<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-28T10:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">17/7216 ZW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:166">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:166</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-27T16:10:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:166 Centrale Raad van Beroep , 15-01-2020 / 17/7216 ZW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:166:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante voldoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Uwv heeft bij  vaststellen van FML rekening gehouden met bevindingen in expertiserapport orthopedisch chirurg. Geen objectief medische redenen voor veronderstelling dat met de beperkingen in FML de klachten van appellante zijn onderschat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:166:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>7216 ZW-PV</title>
    <para>Datum uitspraak: 15 januari 2020</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 september 2017, 17/1756 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam B.V.] ([De B.V.])</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: mr. B.J. van de Griend, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: C.M. van de Ven</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. S. Roble-van Deursen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser. [De B.V.] heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de beslissing op bezwaar van 21 februari 2017 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd dat appellante met ingang van 14 september 2016 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet. Dat is de uitkomst van een zogenoemde eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante voldoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Geoordeeld wordt dat het Uwv bij het vaststellen van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) rekening heeft gehouden met de bevindingen in het door appellante ingebrachte expertiserapport van orthopedisch chirurg R.J.J. Devilee. Er zijn geen objectief medische redenen om te veronderstellen dat met de beperkingen zoals opgenomen in de FML de klachten van appellante zijn onderschat. De in de FML opgenomen lichte beperking voor zitten tijdens werk met mogelijkheden tot vertreden, gaat zelfs verder dan zou voortvloeien uit het expertiserapport van Devilee. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat betreft de beroepsgrond van appellante over het niet kunnen dragen van schoeisel wordt geoordeeld dat dit niet nader is onderbouwd met medische informatie. Daarnaast zijn de geselecteerde functies die aan de schatting ten grondslag liggen (grotendeels) zittende functies. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat geen twijfel bestaat over de medische beoordeling door het Uwv, wordt geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige. Appellante heeft met het overleggen van diverse medische stukken en het expertiserapport van Devilee voldoende gelegenheid gehad haar standpunt te onderbouwen dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Deze stukken zijn naar hun aard geschikt en vormen een redelijke mogelijkheid om de bestuursrechter van haar standpunt te overtuigen. Er is daarom geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Appellante heeft eerst ter zitting bij de Raad aangevoerd dat de geselecteerde functies niet voldoen aan haar opleidingsniveau. Dat is in strijd met de goede procesorde. Overigens zag de Raad bij de bespreking van deze beroepsgrond ter zitting geen reden om aan te nemen dat het vastgestelde opleidingsniveau onjuist is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier		Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) C.M. van de Ven		(getekend) mr. B.J. van de Griend</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>