<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2020:1409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-09T13:37:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19/1312 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:1409">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2020:1409</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-09T10:50:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2020:1409 Centrale Raad van Beroep , 08-07-2020 / 19/1312 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2020:1409:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA terecht vastgesteld op 66,74%. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest en op grond van de beschikbare medische gegevens is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen. Voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2020:1409:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">19 1312 WIA </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 8 juli 2020</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 maart 2019, 18/956 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr. H.F.A. Bronneberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 8 december 2015 heeft appellant zich ziek gemeld vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Appellant kampt met tinnitusklachten, slaapapneu, chronische bronchitis en spannings- en vermoeidheidsklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant op 22 september 2017 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is voor arbeid met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als onderhoudsmonteur. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 61,97%. Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft het Uwv appellant met ingang van 5 december 2017 een WGA-vervolguitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2017 heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2018 (bestreden besluit) gegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij bepaald dat appellant met ingang van 5 december 2017 recht heeft op een WGA‑vervolguitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, omdat appellant per die datum 66,74% arbeidsongeschikt is. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 maart 2018 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 april 2018 ten grondslag. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in bezwaar overgelegde medische informatie van de audioloog van Adelante van 1 oktober 2010, de longarts van 29 maart 2017 en de huisarts heeft meegenomen bij zijn beoordeling en dat er geen reden is om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant op onjuiste wijze in de FML zijn neergelegd. Voor de stelling van appellant dat hij door zijn tinnitusklachten volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, ontbreekt een objectieve medische grondslag. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische grondslag en appellant moet medisch in staat worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv geen, althans onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en met de in bezwaar ingebrachte medische informatie. Appellant meent dat hij vanwege de tinnitusklachten volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Naast zijn oorklachten heeft appellant last van depressieve klachten en prikkelbaarheid. Appellant verwijst naar zijn brief van 24 september 2018 aan het Uwv, waarin hij beschrijft welke impact de tinnitus op zijn leven heeft. Appellant heeft op deze brief geen antwoord gekregen. Ook op basis van de huidige wetenschappelijke/medische inzichten over tinnitus moeten voor appellant bij de uitvoering van de geduide functies meer beperkingen worden aangenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad oordeelt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 5 december 2017 heeft vastgesteld op 66,74%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat op grond van de beschikbare medische gegevens geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen, wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 maart 2018 gemotiveerd en inzichtelijk toegelicht dat uit de in bezwaar ontvangen medische informatie, waarin de tinnitus, het gehoorverlies en het oorsuizen aan de orde komen, niet blijkt dat de primaire verzekeringsarts iets heeft gemist. Erkend is dat het oorsuizen erger is geworden, maar de precieze ernst is niet nader geobjectiveerd. De primaire verzekeringsarts heeft desondanks aangenomen dat vermoeidheid door deze aandoening plausibel is en heeft een urenbeperking van 20 uur per week aangenomen. Verder is appellant in de FML vanwege de tinnitus beperkt geacht voor werken in een lawaaiige werkomgeving en vanwege zijn psychische klachten aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Daarnaast is hij nog beperkt geacht voor luchtwegprikkeling en zwaardere fysieke belastingen. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellant. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Appellant heeft noch in beroep noch in hoger beroep met medische stukken onderbouwd dat hij op grond van de tinnitus meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De brief van appellant van 24 september 2018 is daarvoor onvoldoende. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in het oordeel dat een objectieve medische grondslag ontbreekt voor de stelling van appellant dat hij op basis van de tinnitusklachten meer of volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen van appellant, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.E. Fortuin</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) E.M. Welling</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>