<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-05T15:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/3773 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-05T14:57:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:657 Centrale Raad van Beroep , 28-02-2019 / 18/3773 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Sollicitatie terecht afgewezen. De functie zou evenmin aan appellant zijn toegewezen als de functie niet zou zijn toegewezen aan degene die als meest geschikte kandidaat is aangemerkt. Naast deze kandidaat was er immers nog een tweede kandidaat die blijkens de selectiematrix voor die functie een hogere score had dan appellant en daarom meer geschikt was voor deze functie dan appellant. Appellant heeft dit ter zitting van de Raad ook erkend en verklaard daar vrede mee te hebben. Hieruit volgt dat appellant geen aanspraak kan maken op benoeming in de functie. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om appellant te compenseren en hem zowel in financieel opzicht als bij toekomstige sollicitaties te brengen in een positie als ware hem de geambieerde functie toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>3773 MAW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 28 februari 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>30 mei 2018, 17/7654 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2019. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.R.M. van Haren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellant is als militair werkzaam bij de krijgsmacht. Hij heeft vanuit een [functie 1] gesolliciteerd naar de [functie 2] van [functie 3] bij de [afdeling] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 6 december 2016 heeft de staatssecretaris deze functie niet aan appellant toegewezen, omdat appellant niet de meest geschikte kandidaat is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij ongedateerd besluit - volgens de staatsecretaris daterend van 15 september 2017 - heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 6 december 2016 gemaakte bezwaar vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat het hem niet zo zeer gaat om het alsnog verkrijgen van de geambieerde functie, maar om de financiële gevolgen van de afwijzing en om zijn toekomstige promotiekansen nu hij in zijn visie niet meer kan doorstromen naar een functie in een hogere rang. Hij wil dat hem een financiële compensatie wordt toegekend en dat hij bij een toekomstige sollicitatie wordt beschouwd als luitenant-kolonel. Volgens de staatssecretaris kan dit niet via een bezwaar tegen het besluit van 6 december 2016 worden gerealiseerd en ontbreekt daarom het procesbelang. Verder heeft de staatssecretaris bij wijze van subsidiair standpunt in het bestreden besluit herhaald dat de functie niet aan appellant is toegewezen, omdat hij niet de meest geschikte kandidaat was voor deze functie.</para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het procesbelang gegeven is nu appellant zich weliswaar op het standpunt blijft stellen dat de functie aan hem had moeten worden toegewezen, maar beseft dat het niet redelijk of mogelijk is degene aan wie de functie is toegewezen van deze functie te ontheffen en daarom bij wijze van rechtsherstel heeft verzocht zowel financieel als bij toekomstige sollicitaties te worden gebracht in een positie als ware hem de geambieerde functie toegewezen. Vervolgens heeft de rechtbank, terughoudend toetsend, overwogen dat ook indien juist zou zijn dat de gekozen kandidaat niet aan alle functie-eisen voldeed, de functie niet aan appellant zou zijn toegewezen nu hij niet heeft bestreden dat de als “second best” beoordeelde kandidaat wel aan de functie-eisen voldeed.</para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant zich voortgaand op het standpunt gesteld dat de kandidaat aan wie de functie is toegewezen niet voldeed aan de functie-eisen en dat de functie daarom niet aan deze kandidaat had moeten worden toegewezen. Appellant heeft in dit verband de vraag opgeworpen wat de waarde van de functie-eisen is als aan deze eisen voorbij wordt gegaan.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Met de staatssecretaris en in navolging van de rechtbank is de Raad van oordeel dat de functie van [functie 3] bij de [afdeling] evenmin aan appellant zou zijn toegewezen als de functie niet zou zijn toegewezen aan degene die als meest geschikte kandidaat is aangemerkt. Naast deze kandidaat was er immers nog een tweede kandidaat die blijkens de selectiematrix voor de functie van [functie 3] een hogere score had dan appellant en daarom meer geschikt was voor deze functie dan appellant. Appellant heeft dit ter zitting van de Raad ook erkend en verklaard daar vrede mee te hebben. Hieruit volgt dat appellant geen aanspraak kan maken op benoeming in de functie van [functie 3] . Gelet hierop bestaat er geen aanleiding om appellant te compenseren en hem zowel in financieel opzicht als bij toekomstige sollicitaties te brengen in een positie als ware hem de geambieerde functie toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt er verder toe dat de Raad niet toekomt aan bespreking van de door appellant opgeworpen vraag naar de waarde van de functie-eisen tegen de achtergrond van zijn stelling dat de meest geschikt bevonden kandidaat niet aan de functie-eisen voldeed.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>28 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) J.J.T. van den Corput</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) F.H.R.M. Robbers </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ew</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>