<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:4301</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-30T13:29:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/1475 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:4301">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:4301</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-22T20:06:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:4301 Centrale Raad van Beroep , 18-12-2019 / 18/1475 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:4301:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellante heeft geen recht meer op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Juistheid FML van 27 juni 2016. Geschiktheid (reserve)functie(s).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:4301:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>1475 ZW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 18 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van </para>
      <para>9 februari 2018, 16/5251 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr. J.P.J. Franssen hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Franssen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als algemeen medewerkster voor 38 uur per week. Op 16 april 2015 heeft zij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met rugklachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 16 februari 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is het werk als algemeen medewerkster te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante meer dan haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 29 februari 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 15 mei 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de belastbaarheid van appellante nogmaals weergegeven in een FML van 27 juni 2016.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht en geen aanknopingspunten gezien om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante niet tijdig beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarom geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. De eerst ter zitting door appellante naar voren gebrachte gronden van medische aard zijn door de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling gelaten. Appellante moet daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met haar belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 27 juni 2016. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk heeft toegelicht dat de belasting in de in bezwaar aan de schatting ten grondslag gelegde functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code: 111180), medewerker intern transport (SBC-code: 111220) en machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk) (SBC-code: 264122) de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar standpunt dat het Uwv na het vervallen van de in bezwaar niet passend bevonden functie productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171), niet de reservefunctie in de beoordeling had mogen betrekken, maar een nieuwe schatting had moeten verrichten, onder aanzegging van een nieuwe uitlooptermijn. De rechtbank heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:3252) overwogen dat het is toegestaan om de schatting mede op een reservefunctie te baseren en dat het appellante uit het onderzoek van de arbeidsdeskundige al voldoende duidelijk kon zijn dat zij ook voor het vervullen van deze reservefunctie geschikt is. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerd gronden in essentie herhaald. Appellante heeft het verder niet juist geacht dat de rechtbank haar ter zitting aangevoerde medische gronden niet heeft beoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de eerst ter zitting van de rechtbank naar voren gebrachte gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit als tardief moeten worden aangemerkt en dat de beginselen van goede procesorde zich verzetten tegen een beoordeling daarvan.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat, anders dan appellante in hoger beroep heeft betoogd, de mediaanfunctie ongewijzigd is gebleven. Dit betreft de functie medewerker intern transport (SBC-code: 111220). Uitgaande van een maatmaninkomen van € 9,69, een mediaan uurloon van € 10,99 en de daarop toe te passen reductiefactor 24/37.93, die samenhangt met de urenomvang van de functies onder SBC-code: 264122, (de functie machinaal metaalbewerker (exclusief bankwerk)), heeft het Uwv het verdienvermogen van appellante terecht vastgesteld op 71,77 %. De Raad verwijst ter toelichting naar zijn uitspraak van 13 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5069. Het Uwv heeft het ziekengeld van appellante terecht beëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) R.E. Bakker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) D.S. Barthel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>jw</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>