<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:429</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-18T11:32:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/1188 PW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:429">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:429</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-13T10:43:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:429 Centrale Raad van Beroep , 22-01-2019 / 18/1188 PW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:429:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toereikende grondslag voor voeren gezamenlijke huishouding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:429:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>1188 PW-PV</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 22 januari 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 februari 2018, 17/3877 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Beuningen (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: A. Stehouwer</para>
      <para>Griffier: L. Hagendijk</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Slot. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het gaat in deze zaak om intrekking van de bijstandsuitkering. Het geschil tussen partijen is beperkt tot de periode van 1 februari 2015 tot 6 augustus 2015 (periode in geding). </para>
    <para>Aan de intrekking ligt ten grondslag dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de gezamenlijke huishouding die hij voert met [naam] (X). </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Anders dan appellant heeft aangevoerd bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat appellant en X in de periode in geding gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres hebben gehad. Hierbij is met name van belang dat appellant op 13 februari 2017 heeft verklaard dat X vaker bij hem is dan bij haar moeder [naam moeder] (Z), X gemiddeld één tot twee dagen naar Z gaat en dat deze situatie al drie tot vier jaar zo is. Daarnaast heeft X op 20 februari 2017 verklaard dat zij ook de nachten bij appellant verblijft en dat deze situatie ook al twee tot drie jaar zo is. Z heeft op <?linebreak?>13 februari 2017 onder andere verklaard dat X wel bij haar op het adres staat ingeschreven, maar niet bij haar verblijft. Tevens heeft zij verklaard dat zij feitelijk bij appellant sinds anderhalf jaar tot twee jaar verblijft en af en toe haar bezoekt.</para>
    <para />
    <para>4. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn psychische problemen. Daartoe heeft de rechtbank in overweging 8.6, voor zover hier van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1965, het volgende overwogen. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van de onderlinge relatie zijn niet van belang. De omstandigheid dat X bij appellant vanwege zijn psychische problemen verblijft, is niet relevant voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding. </para>
    <para />
    <para>5. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant en X in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het hoger beroep slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier	De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>L. Hagendijk	A. Stehouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>ij</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>