<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:3942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-06T19:47:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/2149 WSF-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3942">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-09T17:09:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:3942 Centrale Raad van Beroep , 20-11-2019 / 18/2149 WSF-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:3942:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Raad heeft ter zitting vastgesteld dat op zijn minst ernstige twijfel bestaat of de hoofdbewoner de in het rapport opgenomen verklaring heeft ondertekend. Daarbij komt dat sprake is van een bijzonder mager onderbouwd rapport dat aantoonbaar meerdere onjuistheden bevat. Nu naast de verklaring van de hoofdbewoner niets aan het besluit van de minister ten grondslag ligt slaagt het hoger beroep. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nu nader onderzoek naar de ten tijde van de controle bestaande situatie onmogelijk is, behoort herstel van het geconstateerde gebrek niet tot de mogelijkheden en zal de Raad het besluit van 31 maart 2017 herroepen om het geschil definitief te beslechten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:3942:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>2149 WSF-PV </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2018, 17/5595 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te Den Haag (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 20 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer</para>
      <para>Griffier: S.L. Alves</para>
      <para>Ter zitting zijn verschenen: appellante bijgestaan door mr. C. Moustaine en drs. P.M.S. Slagter als vertegenwoordiger van de minister.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 augustus 2017;</para>
    <para>- herroept het besluit van 31 maart 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van  </para>
    <para>  het besluit van 1 augustus 2017;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.560,-;</para>
    <para>- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht </para>
    <para>  van in totaal € 172,- vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is ter zitting van 20 november 2019 in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Appellante heeft, voor zover hier van belang, vanaf 1 november 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Op 24 februari 2017 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.</para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 31 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2017 (bestreden besluit), heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 november 2016 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.037,75 teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat op grond van de waarnemingen en bevindingen van de controleurs voldoende aannemelijk is dat appellante ten tijde van de controle niet op het brp-adres woonde. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder de verklaring van de hoofdbewoner in aanmerking. Afdoende staat vast dat de controleurs te woord zijn gestaan door de hoofdbewoner van de woning. Aan het achteraf intrekken of ontkennen van de verklaring komt weinig betekenis toe. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare bewijsstukken overgelegd die maken dat getwijfeld moet worden aan de bevindingen van de controleurs. </para>
    <para />
    <para>4. Het geschil is beperkt tot de vraag of aan de in het rapport opgenomen verklaring van de hoofdbewoner dat appellante niet woonachtig is op het brp-adres waarde kan worden gehecht. Naar het oordeel van de Raad is dat niet zo. De hoofdbewoner heeft ontkend verklaard te hebben als opgenomen in het rapport en daarvoor te hebben getekend. Aan de hand van het rijbewijs en identiteitsbewijs van de hoofdbewoner heeft de Raad ter zitting vastgesteld dat op zijn minst ernstige twijfel bestaat of de hoofdbewoner de in het rapport opgenomen verklaring heeft ondertekend. Daarbij komt dat sprake is van een bijzonder mager onderbouwd rapport dat aantoonbaar meerdere onjuistheden bevat. Zo is tussen partijen niet in geschil dat anders dan vermeld in het rapport, het formulier “Toestemming Huisbezoek” niet is ondertekend en dat geen toestemming is verleend voor het betreden van de woning. Evenmin is in geschil dat ten onrechte in het rapport is opgenomen dat tijdens het huisbezoek de woning is getoond. Van het verlenen van toestemming voor het maken van foto’s tijdens het huisbezoek is al evenmin sprake geweest. Nu naast de verklaring van de hoofdbewoner niets aan het besluit van de minister ten grondslag ligt slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. </para>
    <para />
    <para>5. Nu nader onderzoek naar de ten tijde van de controle bestaande situatie onmogelijk is, behoort herstel van het geconstateerde gebrek niet tot de mogelijkheden en zal de Raad het besluit van 31 maart 2017 herroepen om het geschil definitief te beslechten. </para>
    <para />
    <para>6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 2.560,-. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier						Het lid van de enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is verhinderd te ondertekenen.		(getekend) J. Brand</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>