<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-11T17:05:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18-837 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:369">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-07T14:10:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:369 Centrale Raad van Beroep , 22-01-2019 / 18-837 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:369:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met juridische procedure. Geen bijzondere omstandigheden omdat appellante er zelf voor heeft gekozen om geen bijstand aan te vragen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:369:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>837 WWB </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 22 januari 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>28 december 2017, 13/8685 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft een nader stuk ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2018. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante heeft op 15 oktober 2012 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor reiskosten die zij heeft gemaakt in verband met het bijwonen van een zitting bij de Raad.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 18 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van </para>
        <para>19 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.<?linebreak?></para>
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Artikel 35, eerste lid, van voorheen de Wet werk en bijstand, nu Participatiewet (PW), bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover zij niet beschikken over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de PW dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de reiskosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze kosten noodzakelijk zijn. De vraag die ter beantwoording voorligt, is of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Appellante heeft als bijzondere omstandigheden aangevoerd dat zij vanaf augustus 2011 geen enkele vorm van inkomsten genoot. De Raad begrijpt dat appellante daarmee stelt dat ze geen mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor deze reiskosten. Dit vloeit echter voort uit de keuze van appellante om haar moverende redenen geen nieuwe bijstandsaanvraag in te dienen. Daarmee heeft appellante zichzelf in een situatie gebracht, waarin de gevraagde kosten niet uit bijstand konden worden bestreden. Om die reden kan niet worden geoordeeld dat in dit geval sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A. Stehouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) F. Demiroğlu </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>md</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>