<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:3546</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-18T12:10:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/842 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3546">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3546</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-13T12:04:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:3546 Centrale Raad van Beroep , 12-11-2019 / 18/842 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:3546:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De Rechtbank heeft appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep omdat ze in het geheel niet heeft gereageerd op het verzoek om gronden in te dienen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:3546:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>842 WWB </title>
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van </para>
      <para>28 december 2017, 13/9015 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 12 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2019. Appellante is verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Appellante heeft op 25 juni 2012 meerdere bezwaarschriften ingediend, onder andere tegen afwijzingen van aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij brieven van 18 februari 2013 heeft appellante aan het college verzocht om dwangsommen vast te stellen wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 25 juni 2012.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 25 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 september 2013 (bestreden besluit), heeft het college vastgesteld dat hij geen dwangsommen is verschuldigd. Aan het bestreden besluit ligt een advies van de commissie Bezwaar- en Beroepschriften van 10 juli 2013 ten grondslag. </para>
      <para />
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij appellante bij brieven van 11 november en 24 december 2013 in de gelegenheid heeft gesteld om haar beroepsgronden tegen het bestreden besluit bekend te maken. In diezelfde brieven heeft de rechtbank aangegeven dat, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn worden ontvangen, niet‑ontvankelijkverklaring kan volgen. Op deze brieven heeft appellante niet gereageerd. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
      <para />
      <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Appellante heeft, zo is ter zitting gebleken, aangevoerd dat zij verschoonbaar moet worden geacht in het niet (tijdig) bekendmaken van haar beroepsgronden tegen het bestreden besluit aan de rechtbank. In dit verband heeft appellante gesteld dat zij het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de commissie Bezwaar- en Beroepschriften niet heeft ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft appellante tot tweemaal toe, namelijk bij brieven van 11 november en 24 december 2013, in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de betreffende brief haar beroepsgronden tegen het bestreden besluit bekend te maken. Niets stond appellante in de weg om aan de rechtbank binnen de gestelde termijnen kenbaar te maken waarom ze meende geen beroepsgronden te kunnen indienen. Al om de reden dat appellante in het geheel niet heeft gereageerd heeft de rechtbank in redelijkheid gebruik gemaakt van de bevoegdheid appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) A. Stehouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) V.Y. van Almelo</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>IJ</title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>