<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2019:3228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T18:39:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/4214 ZVW-PV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2019/501</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3228">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2019:3228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-14T09:26:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2019:3228 Centrale Raad van Beroep , 25-09-2019 / 18/4214 ZVW-PV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2019:3228:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proces-verbaal mondelinge uitspraak. CAK heeft het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het op andere gronden. Immers, tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie kan geen bezwaar worden gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2019:3228:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 juni 2018, 17/418 (aangevallen uitspraak) </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>CAK</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 25 september 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting hebben: L.M. Tobé als voorzitter en J. Brand en A. van Gijzen als leden</para>
      <para>Griffier: M. Graveland</para>
      <para>Ter zitting is namens appellante mr. R.G.P. Voragen verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 27 januari 2017 ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt CAK in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>€ 1.024,-;</para>
    <para>- bepaalt dat CAK aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. Bij besluit van 10 augustus 2010 heeft CAK aan appellante meegedeeld dat zij door haar zorgverzekeraar als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is aangemeld en dat zij daarom vanaf augustus 2010 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Appellante heeft dit besluit veel later ontvangen en daartegen vervolgens bezwaar gemaakt. </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 28 december 2016 heeft CAK het besluit van 10 augustus 2010 ingetrokken. Dit besluit is per abuis niet naar de gemachtigde van appellante verzonden. </para>
    <para />
    <para>3. Bij besluit van 27 januari 2017 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2010 wegens het ontbreken van procesbelang </para>
    <para>niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen richt zich het hoger beroep van appellante.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat appellante geen procesbelang meer had bij een beoordeling van haar beroep. Het bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en een belang bij een rechterlijke beoordeling hiervan kan appellante niet worden ontzegd.  </para>
    <para />
    <para>6. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen. </para>
    <para />
    <para>7. CAK heeft het besluit van 28 december 2016 niet aan de gemachtigde van appellante bekend gemaakt. Daarom is het besluit van 28 december 2016 niet in werking getreden en had appellante ten tijde van het bestreden besluit nog steeds belang bij een beoordeling van haar bezwaar. </para>
    <para>8. Dit neemt niet weg dat CAK het bezwaar van appellante  terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zij het op andere gronden. Immers, tegen een besluit over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie kan geen bezwaar worden gemaakt. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met de artikel 7:1 van de Awb, en artikel 1 van bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) bij de Awb. </para>
    <para />
    <para>9. Uit wat onder 7 en 8 is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>10. Er bestaat aanleiding CAK te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier					De voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) M. Graveland			(getekend) L.M. Tobé</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>sg</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>